Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

OVER DEN HARZ.

Hout: Hout! Hout! Woud! Woud! Silva qus vocatur Harz, zegt een schrijver uit het begin der middeleeuwen. Reeds toen waren deze bergen en dalen bekend als dragende zware donkere bosschen. Boom aan boom, den& aan den, beuk aan beuk stijgen op naast elkaar naar geweldige hoogte. Ja Duitschland heeft nog bosschen en al zijn zijn menschen barbaren en vijanden, de duitsche grond geeft nog boomen, gastvrije bosschen, de beste troost voor de kwijnende menschengeslachten. Zie, hoe zij hun wortels wringen tusschen de enorme steenblokken, hoe zij hun klauwen slaan rondom den mosbedekten steen en hem dwingen tot het geven van voedsel. Zij rijzen hier aan de zij in de laagte en daar in de klimming van de bergrotsen. Daar van boven spelen de wateren als sneeuw zoo wit in het spattende schuim. Lafenis! Lafenis. Zij \ egen de steenblokken in galoppeerenden val en drenken de wortels en laten flikkeren en schieten de teergroene grashalmen die zij zegenen met de opspringende droppels als met vreugdige vloeiende diamanten, die dansen en jubelen in de zich doorwringende stralen van de zon... En zie daarboven in het hoog rijzende zwarte takkengewar op de helling die plekken van stil goud, stil gouden afscheidskussen van de zinkende zon, zinkende blikken van gouden oneindigheid op de zuivere aarde, op de aarde daar, waar zij nog niet geschonden

Sluiten