Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LIJ

is door menschenhanden, waar tenminste de natuur in machtigen zegepraal haar boomen opstuwt als glorieuse legers in strijdenden stilstand. Scharen van dreigende reuzen in den wind slaande hun machtige armen, breedwaaiericre armen of droomend in de kalme ver-

o

heffing, in de zoele warme rust van een wegzinkenden zomerdag.

Somber zijn de hooge sparrewouden, zij zijn zwart en zwijgend. Zij ruischen en klagen somtijds nooit uitgesproken mysteries: in hun koren zingen zij de voorbij trekkende weeën en de zachte berusting. De liederen der vreugde zingen de beuken, vlug slaan zij hun bladeren. Malsch schijnt hun groen in de zon en vroolijk dansen de regendruppels op hun kletterende takken. Zij wenken den mensch de zorgen te laten, zij ruischen zoo vriendelijk onder het blauwe uitspansel onder de tintelende lucht. Overal zingen de vogels en schudden hun natspattende veeren en zijn dan weer glanzig, vliegen hooger, verdwijnen in de zee van golvende twijgen. En een hert schiet vluchtig en schuw, vermijdend haastig den boosaardigen mensch.

O, heerlijkheid der boomen in den maanlichtenden nacht! O witgloeiende stammen en grootmachtige twijgen in het koele duister! In de fluisterende stilte verhaalt gij de tijden, die gingen en die ge hebt zien rijzen en dagen, die ge hebt zien verzwinden naar het onhoorbare verleden. O sparren en beuken vol majesteit, laat druipen van uwe breedschermende takken het flikkerende maan-zilver in de eerbiedige stilte en heft

Sluiten