is toegevoegd aan uw favorieten.

Litteraire wandelingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Grijsgroen het gras der tuintjes poppigklein,

Van huis af hellend naar den waterkant,

Geelbruin hun struiken, dor in doodenschijn.

Zon maak nu goud waas van den nevel! btand De wintergracht met purpren vlammenpijn,

En schenk uw schoonheid aan mijn prozaland.

Alweer is het jammer, op het eind de ontnuchtering van het „prozaland" te vinden. De blik die hier zoo vreedzaam rustte, wordt plotseling gedwongen zich over een geheel land te spreiden.

Hoe hoog in gevoelens eene vrouw ook moge staan, zij zal toch den man nooit nabijkomen in het volhouden der sentimenten. Op den bodem der mannelijke ziel ligt altijd meer edelmoed dan op dien der vrouw. Ik spreek natuurlijk in het algemeen. (Zijn het niet de Spaansche vrouwen, die hoofdzakelijk de stierengevechten in stand houden?)

Maar wie wil weten, wat eene vrouw als mevrouw Swarth vermag te geven, tot welke diep-innige zielsbeweging een mensch vermag te dalen, die leze het sonnet „Uit hooge droomcel", no. 2, misschien wel het beste uit den heelen bundel.