Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het haventje met de oude teer- en touwwinkeltjes, de hooge sombere iepenboomen op de wallen — het heeft alles alleen de toevallige schoonheid van het verwelkte, het kan 'niet meer willen mooi zijn, zooals een jong, bloeiend wezen. — Het is mooi zijns ondanks, niet meer als een stuk mensch-leven, maar als een stuk natuur. En weemoedig is het mooie, door den naglans van een korte opflikkering van eigen welbewust levensschoon.

In deze stille sfeer, waar het leven nu nog maar als in een kleinen zijstroom van den grooten vloed, traag en spiegelend vliet, — woon ik, een oud man, tot het volbrengen van mijn laatste werk.

Ik leef als een onbeduidende onder onbeduidenden. Ik doe wat ik kan om niet opgemerkt te worden, en heb geen bekendheid hoegenaamd, ook niet als zonderling.

Ik ga om, zooals men dat van mij verwacht, met docter en notaris en kom ook op de societeit. Men weet dat ik wat geld heb en nog verdien met een kleine kweekerij, buiten de stad, en met lessen geven in Italiaansch.

De geruchten over mijn verleden zijn al tot rust gekomen, en aan mijn uitheemschen naam, Muralto, is men gewend. Men ziet mij geregeld mijn zelfde wandeling maken, langs den zeedijk, naar mijn kweek

Sluiten