Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en men kent mijn grijzen vilthoed, en bij zomerweer mijn witte jasje, als eigendommelijkheden van de stad. Als gij dit leest, lezer, ben ik begraven, netjes en eenvoudig, met twaalf bidders en de koets met zwarte pluimen van de 2« klas, en een krans van de burgemeesters-vrouw, die ik les gaf, van den notaris, die wel eens wat aan me verdiende, en van t weeshuis, omdat ik als penningmeester de kas altijd in orde had.

Dit is zooals ik 't wensch. Als dit door u gelezen wordt mag mijn levende persoonlijkheid u niet meer in den weg zijn. Mijn individueel bestaan mag de aandacht niet meer trekken. Ik weet hoe dit bij u de waarheid zou versluieren. Nooit heeft de mensch nieuwe, zuivere gedachten aangenomen van een tijdgenoot, tenzij hij een erkend en gehuldigd profeet ware, dat wil zeggen een bedorven en verloren man. Ik wil mij niet laten bederven en verloren geven, en toch weet ik dat mijn gedachten te groot zijn om door mijn levende medemenschen zonder onderworpenheid, uit vrije erkenning, te worden aangenomen.

Daarom heb ik vrede in deze kleine wereld, onder de zware dracht van mijn geweldig leven- Ik heb het mijzelven niet gegeven en ik heb geen keuze. Als ik sprak naar mijn gedachten, vrij en oprecht, zoo zou ik öf opgesloten öf aangebeden worden. Ik verdien het één noch 't ander, maar zoó zijn de

Sluiten