Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vol. Op straat al huiverde ik van afkeer, als ik de onbeduidende, grove, soms beslist ongunstige en fielterige gezichten zag, die onder de ruige, zwarte vilthoeden uitkeken. Het was of zij 't brandmerk der schuld op hun voorhoofd droegen, van de ellende waarin mijn arm volk zwoegde. En nauw had ik voldoende kennis genomen van de gevoelens, de neigingen, de ideeën, die de zielewereld van den als mijn herder aangewezen jongen man bevolkten, of ik wist, eens vooral, dat zijn arbeid verloren moeite zou zijn.

Het was geen onbeduidend man, de jonge priester, ook geen onedel karakter. Toenmaals leerde ik, in een ommezien, hem doodelijk haten en verachten. Maar dat zijn eenmaal zoo onze Italiaansche uitbundigheden. Ik verwachtte en begeerde een held, om mij te helpen — en wie met deze pretensie tot mij kwam en aanzienlijk beneden heldenpeil bleef, wenschte ik naar den drommel, en had ik uit mijn deur willen trappen. Hier in mijn peins-huis aan de zee, heb ik leeren bedenken dat de jonge priester veel talenten had, groote geleerdheid, een scherpe menschenkennis, een praktisch, helder verstand, een eerzucht voorzichtig genoeg om geen lage middelen voor 't vast-begeerde doel te zoeken, en een religieuze overtuiging, die hetzij aangeboren, aangeleerd of aange-

Sluiten