Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarop zag ik in de woestenij twee vreemde wezens. Ook menschelijke wezens, geen demonen. De een zag lei-kleurig, als leem, de ander bruinrood, als gebakken aarde. Ze waren hard aan 't werk — en het kwam in mij op of dit soms de proletariërs waren, die in dit land het weelderig volk dat ik zooeven gezien had, onderhielden. Ze waren bezig met een vuur, en ik vroeg iets, ik geloof over voedsel of hout. Lachend beduidden ze: «dat is hier schaars». Toen wees ik achter me naar het land waar ik het weelderig volk gelaten had en zei: «maar d£ar is het toch niet schaars». Daarop lachten ze en deden onverschillig, en gaven te kennen, hoe weet ik niet meer, dat zij dat niet benijdden, dat het er niet op aan kwam, dat het zoo hoorde. Ik werd wakker, peinzend over de beteekenis van den droom, dien ik niet begreep, en ook nu nog niet zou wagen geheel te verklaren.

Al wat de waarneming in den slaap leert, vereischt evenzeer wetenschappelijk denken en vergelijken, kritisch uiteenhouden en keuren, en geduldig tot vaste, algemeene en blijvende waarheid opbouwen, als alle waakwaarneming. Er kan geen andere waarachtige openbaring zijn als de scheppende kunst en de door allen en voor allen gevestigde wetenschap. Wat zou een persoonlijke openbaring beteekenen, die berustte op de de ontvankelijkheid van één enkelen, die zou vastgelegd

Sluiten