is toegevoegd aan je favorieten.

De nachtbruid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij gingen in de opkamer. Ik herinner me een rood tafelkleed, matten stoelen, een gehaakt kleedje over een kofffie-servies, horribele staalgravuren aan de wanden. Alles aanbiddelijk en dierbaar, — wat gaf ik als ik het nog eens weer zien kon. Maar «de Toelast» is sedert lang verbouwd.

Ik was wel verlegen, maar toch niet beklemd. Ik verkwikte me door 't rustig staren in haar zachte, heldere oogen. Ik kon alleen de oogen goed waarnemen. Of 't gezichtje mooi of leelijk was, ik kon 't niet beoordeelen. Het was mij te vertrouwd, te dierbaar, te eigen.

— «Heb ik goed gezien, juffrouw Elsje, dat u alleen om onzentwil in den regen op 't havenhoofd stond te kijken, die vorigen Zondag?»

Zij knikte ernstig: — «Ja! ik was bang dat u vergaan zou. Er zijn wel vaker jachtjes bij die wind ondergeloopen. En daar was niets aan te doen geweest.»

— «Ja, we zijn er goed afgekomen. Maar hoe wist u dat we in aantocht waren?»

— «Wel, ik zag de menschen op de kade uitkijken, en ik begreep dat er een schip in gevaar was.»

— «Maar zou u dat voor ieder schip ook gedaan hebben?»

Toen zweeg ze en keek me lang aan. Ik meende te zien dat ze vochtige oogen kreeg. Haar antwoord