Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

orakel te houden, daar ik wel veel gelezen en in de wereld rond gezien had — maar toch volstrekt geen geleerde was, zooals men die in onze dagen verlangt.

— «Ach! ik leef hier in zoo'n klein, benepen kringetje. U is voor mij de groote, wijde wereld» zei Elsje met een aandoenlijken eerbied.

Toen het avond werd en koeler, wandelden wij de oude, donkere poort uit, den zvvaar-beboomden dijk op tot in 't wijde groene veld, waar wij de zon in kleurvlammende majesteit zagen zinken. We gingen tot waar nu mijn kweek is, en ik wees haar op de wonderbare vlucht der meeuwen die zonder beweging tegen den wind ingaan, op de kleuren van de zee en van den hemel, op de blank-fonkelende Venus, groenachtigwit schitterend tegen den rose hemel-achtergrond, en ik vertelde wat ik wist.

Toen kwam ik op 't gesprek van den middag terug.

— «Heb je meer zulke voorgevoelens, Elsje, als toen ik op zee aankwam in gevaar.»

— «Ja, altijd als mij iets gewichtigs overkomen gaat, goed of kwaad, dat weet ik vooruit. Dat mist nooit.»

— «Ditmaal was 't toch goed, hoop ik?»

— «Ja, goed» zei ze, lief glimlachend, — «maar toch angstig. U moet niet meer zoo roekeloos zeilen. Scheepjes als uw jachtje hooren bij zoo'n wind in de

Sluiten