Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder 't zelfde dak. Toen kwam tegen den morgen een korte droom, die door zijn donkere verschrikking mij een maat aangaf voor de helderheid van mijn geluk. Ik droomde dat ik weer in den Haag was, op mijn bureau, en thuis komende in mijn gezin een brief vond, inhoudende mijn verplaatsing naar Japan. Mijn zeiltochten, mijn stadje, Elsje, dat was alles een droom geweest, en ik was weer diep in mijn oude wereldsche en toch wereld-vreemde sombere leven. Mijn beklemming was ontzettend, ik schreide en snikte in vertwijfeling — en werd zóó wakker, mijn gezicht en kussen nu werkelijk nat van tranen. En toen — de opleving, de overgang, het glorieuze besef van de waarachtigheid van mijn nieuw geluk, mijn opdoemende herinneringen aan den schoonen dag van gisteren, aan Elsjes lieftalligheid en oprechten, innigen blik, aan haar helder begrip en teedere deernis. Toen wist ik eerst goed wat mij geschonken was. Ik was geen vreemde meer op de wereld, het leven, het heilige menschenleven had mij herwonnen, ik zou toch niet sterven zonder voluit mensch geweest te zijn.

Aan mijn alleenig ontbijtje in de opkamer, waar de zon binnenscheen, kwam Elsje mij even begroeten, van uit de drukte van haar huisbestier. Ik zeide dat ik geen tijd had om terug te zeilen, maar met den trein

Sluiten