is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steilen had Paulus vervolgingen te lijden. De Joden zochten de romeinsche overheden in den waan te brengen, dat de gepredikte Christus een mededinger van den keizer was. Aldoor vervolgd, wendde de apostel zich zuidwaarts naar Athene, waar hij op den Areopagus getuigenis van zijn geloof aflegde. Daarna bracht hij ongeveer twee jaren te Korinthe door, waar een bloeiende gemeente ontstond.

Hierop volgde weer een reis naar Jeruzalem (Hand. 18 : 18— 22), en vandaar de terugkeer naar Antiochië. Toen is voorgevallen wat wij Gal. 2: 11—21 lezen, uit welk verhaal voldoende blijkt, dat Petrus evenmin als Paulus in de onderwerping aan de wet een voorwaarde tot zaligheid zag.

Op zijn derde zendingsreis zou de apostel zich vestigen te Efeze, door wetenschap en handel de voornaamste stad van Klein-Azië. Op weg daarheen versterkte hij de gemeenten in Galatië en Frygië, die door joodschgezinde ijveraars in beroering waren gebracht (Iland. 18 : 23). Te Efeze wachtten hem zijne trouwe vrienden en medearbeiders, Aquila en Priscilla. De 2 a 3 jaren, die hij daar doorbracht, vormen het hoogtepunt van zijn apostolische werkzaamheid (Hand. 19). Een aantal bloeiende gemeenten ontstonden: Efeze, Milete, Smyrna, Laodicea, Hierapolis, Kolosse, Thyatira, Filadelfia, Sardes, Pergamus enz. Het Heidendom scheen weg te sterven (vgl. Hand. 19 : 27).

In dezen tijd was de strijd tegen de joodschgezinde tegenstanders het heftigst. Zij zochten Paulus bij de Galatiërs verdacht te maken, door hem voor te stellen als een discipel der apostelen, die zich hoogmoedig boven zijne leermeesters verhief (zie Gal. 1, 2). Daarbij had volgens hen de wet ook voor den Christen gezag, waartegen Paulus in Gal. 3, 4 opkomt. Tot welk een lichtzinnigheid moest men niet vervallen, zoo redeneerden zij, wanneer men zich niet aan de wet hield (zie echter Gal. 5, 6)! Paulus schreef den brief aan de Galatiërs korten tijd na zijn komst te Efeze (vgl. Gal. 1:6). Uit 1 Kor. 16:1 schijnt te blijken, dat het hem gelukt is, zijn gezag en dat van het evangelie hoog te houden.