is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zienswijze aansluit, zoekt tevens verband te brengen tusschen den inhoud van den brief (het universalisme van het evangelie) en de positie van Rome als middelpunt van het wereldrijk. Zoo ook Huther (Zweck und In halt der 11 ersten Capitel des Römerbriefs, 1846), J. A. Beet (A commentary on St. PauVs Epistle to the Romans, le ed. 1880, 5e ed. 1885), welke laatste zijn gevoelen aldus formuleert: „De apostel wil de nieuwe leer logisch bevestigen en ontwikkelen, hare overeenstemming met de woorden en daden Gods in het O. T. aantoonen, en ze op het aardsch en kerkelijk leven toepassen". Evenzoo Wieseler (Zur Geschichte der neulestamentlichen Schrift, 1880), volgens wien de gemeente te Rome gezond was in leer en leven, waarom de apostel ook eenvoudig de waarheid van het evangelie blootlegt, al heeft hij hier en daar de vooroordeelen der joodschgezinden in het oog. Volgens J. H. L. Roozemeijer (Prot. Bijdragen, III, 36) wil Paulus de gemeente te Rome het inzicht mededeelen in de moeielijke vraag, welke de gemeenten van den apostolischen tijd in beweging bracht: de verhouding van de Heidenen en Israël.

Fay (in Lange's Bibelwerk) en Schaff (in zijn amerikaansche bewerking van Godet's kommentaar: The Epistle of Paul to the Romans, 1873) nemen aan, dat het feit „een gemeente te Rome" voor den apostel der Heidenen een zeer bijzondere beteekenis heeft gehad. Daar zou de samensmelting van de twee groepen van Christenen eerder dan ergens anders kunnen tot stand komen. Jeruzalem en Antiochië moesten elkander te Rome de hand reikeu. Hierop is de gekeele brief aangelegd. Hoeveel aanlokkelijks deze voorstelling moge hebben, zoo komt het ons toch voor, dat zij door de ons bekende gegevens niet voldoende wordt gerechtvaardigd.

Philippi (Kommentar, 3e ed. 1866) drukt zich aldus uit: „De brief bestrijdt geenszins (zooals de brief aan de Galatiërs) een farizeesche joodsch-christelijke richting, maar alleen het joodsche begrip van verdienste, hetwelk regelrecht tegenover de rechtvaardigende genade Gods in Christus staat. Wij hebben