is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods slechts medelijden zijn. Het wordt eerst een innige liefde, een gemeenschap als tusschen vader en kind bij den geloovige, die de verzoening verkregen heeft. — Uit deze liefde volgt hun toewijding aan God: k^tcUs ayloi;. Men vertale n'e^ «geroepen om heilig te zijn", waaruit volgen zou, dat de heiligheid bij hen nog slechts als bestemming gevonden wordt; noch li geroepenen en heiligen" (Osterwald), hetgeen het begrip „roeping" op zichzelf !zou doen staan. Faulus wil zeggen: 1° dat zij werkelijk heilig zijn; 2° dat zij heilig zijn door de roeping van Christus, die sommigen hunner uit het heidendom getrokken heeft en de anderen van de uiterlijke wijding van het oude Godsvolk tot de geestelijke wijding van het Nieuwe Verbond heeft gebracht. Onder het Oude Verbond was de wijding erfelijk en gebonden aan de plechtigheid der besnijdenis. Onder de nieuwe bedeeling bestaat zij boven alles in de toewijding van den persoonlijken wil in de kracht des geloofs, en daardoor in de toewijding van het geheele leven. Zij gaat van binnen naar buiten en niet van buiten naar binnen; het is de reëele heiligheid. — G g laat de woorden èv 'PcZ,uy weg. Men zou in deze weglating een toevallige vergissing kunnen zien, wanneer zij niet in vs. 15 herhaald werd. Rückert en Renan meenen, dat sommige manuscripten bestemd waren voor andere gemeenten, wier namen in de opengelaten plaatsen moesten worden ingevuld. Meyer onderstelt, dat de een of andere gemeente, voor haar bijzonder gebruik den brief latende overschrijven, met opzet de woorden heeft weggelaten. A) Anderen zeggen, dat wij oorspronkelijk met een verhandeling te doen hebben, die later door bijvoeging van èv 'V&ny tot een brief is gemaakt. Volgens Lightfoot heeft Paulus zelf op het laatst van zijn leven, door het schrappen van de woorden en het vervangen van de twee laatste hoofdstukken door de doxologie, een grootere publiciteit aan den brief willen geven. Het komt mij met Oltramare voor, dat iemand zich gestooten heeft aan de schijnbare tegenstelling tusschen den inhoud van den brief

1) VgL Schmidt (Theol. Stud. u. Krit. 1898, II).