Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die leven zal, stellen den rechtvaardige door de werken, die niet leven zal (Oltramare). Echter kan dit de gedachte van Paulus niet zijn, want H. 10: 5 zegt de apostel zelf, dat hij, die door zijne werken gerechtvaardigd werd, ook door dezelve zal leven. Men moet dus overeenkomstig den hebr. tekst vertalen: de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. De beteekenis is deze: „de rechtvaardige — hij wordt bij anticipatie zoo genoemd — zal leven door het geloof (waardoor hij gerechtvaardigd is)". Hij wordt beschouwd in den staat van gerechtigheid, waarin zijn geloof hem plaatste. Zoo hij leeft door het geloof, moet hij ook door het geloof gerechtvaardigd zijn. — Bij den profeet beteekende fyreTxi: 1° voor den tijdgenoot de bevrijding van de rampen tengevolge van den inval der Chaldeërs; voor de nakomelingschap de bevrijding van de toekomende rampen; 2° het bezit der Goddelijke genade bestaande in het genot van de goederen van het beloofde land. Beide begrippen zijn hier vergeestelijkt tot de verlossing van het verderf en het bezit van het eeuwige leven. De uitdrukking „zal leven" geeft de gedachte van auTtjpix (vs. 16) weer. Zij resumeert al de heilzame gevolgen van de rechtvaardiging door het geloof, zooals die, te beginnen met H. 6, zullen ontwikkeld worden. Tot H. 5 zal de apostel het begrip van rechtvaardiging uit het geloof ontleden, maar daarna vormt het woord het thema

van de schets van het leven des rechtvaardigen: H. 6—8 en 12—14. Het in vs. 16, 17 geformuleerde thema omvat dus het volledige begrip van het heil, naar zijn beginsel (de gerechtigheid) en zijne gevolgen (het leven). Zelfs het deel, dat over den gang van het heil in de menschheid handelt (H. 9—11), is er in begrepen, want daar wordt de leer deizaligheid toegepast op het tegenwoordige en toekomende lot van Israël en de Heidenen.

Met vs. 18 gaat de apostel over tot de ontwikkeling van het geformuleerde thema in dier voege, dat hij eerst een didaktisch gedeelte geeft (II. 1 —12), vervolgens een praktisch gedeelte (H. 13—15:13).

$*

Sluiten