Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„God" letten: „zooals gij God behandelt, behandelt God u". In den Sinaïticus en Alexandrinus is het woord de tweede maal weggelaten, bij vergissing. — Volkmar begint met vs. 28 een nieuw stuk. In het volgende zou er sprake zijn van de schuld der Joden in tegenstelling met die der Heidenen (vs. 18—27). Maar er is niets in den tekst of in de gedachte, hetwelk zulk een overgang veronderstelt; kxi verzet er zich tegen, en het door den apostel in de volgende verzen, vooral vs. 32, uitgesproken verwijt is juist het tegenovergestelde van de teekening der Joden in H. 2. Deze treden op als rechters van het bederf der Heidenen (2 : 1 v.), terwijl de menschen van vs. 32 hen toejuichen.

Vs. 29a: „vervuld met alle soort van ongerechtigheid ')> slechtheid, boosheid, hebzucht 2);"

De nu volgende opsomming 3) heeft geen streng systematische orde. Kennelijk laat Paulus zijn pen den vrijen loop, alsof hij besefte, dat geen van de ondeugden, die hem invielen, hier misplaatst was. Maar in deze schijnbare wanorde is toch een zekere groepeering, een zekere associatie van denkbeelden. De eerste groep, wier vertaling wij afzonderlijk gegeven hebben, bevat vier ondeugden; volgens den text. ree. vijf. Echter moet het woord Topveix als een inlassching worden beschouwd; het ontbreekt in vele Mjj.; in andere is het verplaatst; bovendien is dit onderwerp reeds besproken. De uitdrukking „alle soort van ongerechtigheid" omvat de geheele volgende optelling; irovypix duidt de kwade neiging van het hart aan; kxmx de berekende slechtheid, die er een behagen in heeft schade

1) De text. ree. leest na xSixtx iropveix alleen op gezag van L; DPG plaatsen 7ropveix na kxxix; ^ABCK laten het geheel weg.

2) De drie laatste woorden zijn in de cod. omgezet (S A irovyptx, xxxix,

BL: vov., srA sov., xxx.; C: xxx., irov., tAeov.).

3) Van Manen (t. a. p. bl. 52, 53) ziet hier een van elders ontleende lijst van zonden. Volgens Van Rhijn (Riehm, bl. 573) ontleent de apostel zijn schets van de onzedelijkheid en de goddeloosheid van het heidendom aan de weelde en de onzedelijkheid der Korinthiërs.

Sluiten