Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de major van een sluitrede zijn, wier minor is in vs. 1: „Die doet wat hij bij een ander veroordeelt, veroordeelt zichzelven; een wijze van handelen, die niet kan ontgaan aan het oordeel van den rechtvaardigen God". Het schijnt ons eenvoudiger, door „maar" te vertalen; de apostel daagt den jegens zichzelven verblinden rechter van vs. 1 voor den rechterstoel van het ware gericht: „Gij meent te kunnen oordeelen, hoewel gij zondigt; maar wij weten evenwel,

<ja(; Ook de bepaling „van God" stelt dit oordeel

tegenover het voorafgaande. De verbinding van vs. 2 met vs. 1 door „want" is onaannemelijk. Zij zou slechts dan zin hebben, wanneer Paulus reeds in vs. 1 gesproken had van het oordeel, hetwelk den gewaanden rechter wacht. Maar deze gedachte wordt in vs. 1 door „niet te verontschuldigen" onvoldoende uitgedrukt. — Het onderwerp van wij weten" zou, volgens velen, zijn „wij Christenen . Maar welke beteekenis kon hier de kennis der Christenen hebben tegenover de aanmatigingen der Joden? Paulus kon het zeggen op grond van het menschelijke bewustzijn, waarop hij reeds H. 1 :32 een beroep had gedaan. De uitdrukking „maar wij weten" zou dan hetzelfde beteekenen als „ieder weet". Intusschen kan de apostel een beroep doen inzonderheid op het zoo diep van de gerechtigheid Gods doordrongen joodsche bewustzijn. — De uitdrukking beteekent niet,

zooals xp/w, de daad van het oordeelen, maar zijn inhoud, het vonnis. Dit oordeel kan, als door God uitgesproken, niet anders dan conform de waarheid zijn. Vgl. Spr. 29:14 (iv xkrfetcf. xplveiv) en Joh. 8 :16 (*/)/«« xtoiSfc). Er zou geen waarheid'in de wereld wezen, als zij niet was in het oordeel Gods; en er zou geen waarheid in het oordeel Gods zijn, wanneer het voldoende was, anderen te veroordeelen om zelf vrijgesproken te worden. Men heeft de woorden kxtx tü^Seixv soms verklaard door „werkelijk": „dat er werkelijk

een oordeel Gods is tegen "• Maar de Joden

behoefden niet de herinnering, dat er een oordeel was; wèl, dat dit oordeel aan den werkelijken stand van zaken beantwoordde, dat het volkomen waar was. Zij meenden,

Sluiten