Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

indien men niet wist, dat een aprioristische meening hem tot dezen exegetischen „tour de force" gebracht heeft. — Het ware oordeel, waaraan ieder mensch, Jood en Heiden, onderworpen wordt, zal alleen afhankelijk zijn van de zedelijke handeling (vs. 6—11):

Vs. 6: „die een ieder vergelden zal naar zjjne werken

God zal alzoo geen rekening houden met eenige uitwendige omstandigheid, b.v. de afstamming van Abraham of de besnijdenis, maar alleenlijk met de gezindheid, welke de zedelijke werkzaamheid heeft beheerscht. Men heeft zich afgevraagd, hoe deze stelling zich laat vereenigen met de leer van de rechtvaardiging door het geloof. Fritzsche vindt hier twee verschillende theorieën, die met elkander in onverzoenlijke tegenspraak zijn; Pfleiderer een overblijfsel van joodsche dogmatiek; Baur een abstracte wet zonder toepassing; evenzoo Melanchton en Tholuck, volgens wie Paulus wil zeggen, dat God deze norm zou hebben toegepast, wanneer de verlossing niet tusschenbeide gekomen was. Dit is ook de meening van de Wette, Weiss, Oltramare e. a.; zij beweren, dat Paulus alleen spreekt uit het gezichtspunt der wet, in het afgetrokkene, buiten de verlossing om. Maar xiroluaet is de toekomende tijd en geen voorwaardelijke wijs. Paulus duidt hier een positief feit aan; vgl. vs. 16. Het oordeel „naar de werken" wordt bovendien elders geleerd: door Paulus in Rom. 14 : 12; 2 Kor. 5: 10; Gal. 6:7, door Jezus in Joh. 5:28, 29; Matth. 12:36, 37 enz., en in andere geschriften van het N. T. (Openb. 20: 13). Ritschl meent, dat Paulus hier sprekende invoert een Farizeër, die van een bekrompen begrip der Goddelijke gerechtigheid, het begrip der vergeldende gerechtigheid, uitgaat. Echter heeft de tekst geen enkel spoor van zulk een accommodatie van den apostel aan een hem vreemde zienswijze. De logische gedachte van het stuk wordt niet afgebroken. Het juiste antwoord is o. i. dit: de rechtvaardiging door het geloof heeft alleen betrekking op den toegang tot het heil door de

Sluiten