Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ingebracht, zijn Diet afdoende. Weiss heeft dit ten opzichte van Meyer toegegeven. Oltramare oppert deze bedenkingen: 1° dat Paulus in vs. 14 terecht zegt, dat „de Heidenen geen wet hebben"; het is waar, maar hij voegt er in het volgende aan toe, dat zij toch wel een wet hebben; 2° dat Paulus, in plaats van aan te toonen, dat de Heidenen ook hoorders der wet zijn — zooals bij onze opvatting te verwachten was — veeleer bewijst, dat zij daders zijn. Dit bezwaar heeft een schijn van waarheid. Maar men moet niet met elkander verwarren het doen van de dingen der wet (vs. 14) en het vervullen der wet (vs. 13). Het eerste wijst op een gedeeltelijke vervulling der wet en moet dienen om te bewijzen, niet, dat de Heidenen de wet houden, maar eenvoudig, dat zij er eene hebben evengoed als de Joden.

Vs. 14. De conj. otxv wijst slechts een toevallige, sporadische vervulling aan. Het woord j !), zonder artikel, slaat niet op al de Heidenen (r« Htm), zooals velen (de Wette, Philippi) denken, maar op menschen, die tot de kategorie der Heidenen behooren: „Wanneer het door een gelukkig toeval gebeurt, dat menschen in heidensche toestanden, zonder de wet te hebben, evenwel doen wat de wet gebiedt". De subjectieve negatie m drukt de logische betrekking uit tusschen het ontbreken der wet en het doen van hetgeen de wet eischt; deze betrekking is een tegenstelling: hoewel. — De dingen der wet: zekere dingen, die tot den inhoud der wet behooren, wanneer b.v. Neoptolemus (bij Philoctetes) weigert Griekenland door een leugen te redden, of Antigone de wet van haar stad schendt om den heiligen plicht der zusterliefde te vervullen, of Sokrates de gevangenis niet wil ontvluchten om aan de overheid gehoorzaam te blijven. Sophokles spreekt zelfs van de eeuwige wetten (ol dei vipoi) en stelt deze innerlijke wet tegenover de altoos wisselende menschelijke wetten. De uitdrukking „de dingen der wet

1) Michelsen denkt aan Christenen uit de Heidenen. Ygl. Zeitschr. f. kirchl. Wies. u. kirchl. Leben, 1883. Clemen houdt deze verzen voor een glosse van Paulus zeiven.

Sluiten