is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

king van een andere te onderscheiden. Liever vereenigen wij ons met de meening van Van Hengel, dat het slaat op het onmiddellijk voorafgaande, „de verborgen dingen". Dat was het punt, waarop het aankwam in de polemiek van den apostel tegen het farizeesche jodendom. Hij erkende niet de waarde van die uitwendige, wettische zedelijkheid, welke voor de Joden alles was. Zonder twijfel was hij op dit punt in overeenstemming met de apostolische prediking in het algemeen; echter was hij bovenal door het bijzondere karakter zijner zending geroepen, dezen geestelijken trek van het evangelie op den voorgrond te stellen. — De woorden „door Jezus Christus" herinneren ons het ideaal van volmaakt ware heiligheid, hetwelk de Heer heeft verwerkelijkt, en het daaruit voortvloeiende vonnis van de farizeesche gerechtigheid. Hij zal in het oordeel een gerechtigheid eischen,

van dezelfde soort als de zijne.

Thans verhindert den apostel niets meer om deze onbuigbare norm van het ware oordeel over alle menschen en over den ganschen mensch toe te passen op de Joden, zooals hij hen voor den geest heeft. *)

1) Aan het einde Tan de verklaring dezer belangrijke pericoop kan ik niet zonder stilzwijgen voorbijgaan het grondige onderzoek van Klost™a (^ rekturen 43-79); hij beveelt een geheel nieuwe verklaring aan, volgens welle

in het hart van den mensch. De Heidenen van vs. 14 zijn volgens hem niet de Heidenen in het algemeen, maar de Christenen van heidenschen oorsprong. Het woord (pi!«« heeft geen betrekking op den mensch vóór zijn bekeering, maar daarna. 0'/r.v«« van vs. 15 slaat op *o*T*t van vs. 13; want vs. 14 is een korte tusschenzin. „Toonen het werk der wet, geschreven in hunne tarten," beschrijft wat er plaats hebben zal op den dag des oordeels (vs. 16), wanneer de geloovige Heidenen de nieuwe wet, door den Heiligen Geest hunne harten geschreven (Jer. 31:33), in het volle licht openbaren, en daardoor de wèl besnedene, maar ongehoorzame Joden veroordeelen zulle (vs 22 27) Op dat oogenblik zal zich ook het goedkeurend getuigenis van hun geweten doen hooren en zich doen bleven hooren midden onder de innerlijke overleggingen r*v AW«v), die elkander voor den rechterstoe Gods bekampen. De bedoeling is, dat de daders der wet, die ^etoor^ zullen gerechtvaardigd worden (vs. 13), degenen zullen zijn, 'die het g.oei van harte en niet, als de farizeesche Joden, uitwendig gedaan hebben (vs. 15,