is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'IouïxTos, eerst na de ballingschap in gebruik gekomen, wordt hier niet gebruikt zonder toespeling op zijn etymologische beteekenis: Jehoedah, de geprezene. De praep. ivt in de samenstelling van het werkwoord maakt van dezen naam een titel. — Maar Israël heeft niet slechts een roemvollen naam; het bezit ook de wet. Zij is een duidelijk bewijs van de gunst Gods, waarop Israël bijgevolg zich verlaten kan. — Ten slotte is God krachtens dit bijzóndere gunstbewijs lijn (Israël's) God bij uitnemendheid, met uitsluiting van alle andere volken. Israël kan zich dus beroemen op God d. i. op alles wat God is voor het uitverkoren volk. Aan de klimax in de drie substantiva: Jood, wet, God, beantwoordt die in de drie verba: zich noemen, zich verlaten, zich beroemen.

Hieruit vloeien twee gaven voort, die den Jood van ieder ander mensch onderscheiden (vs. 18). Hij kent den wil en daardoor kan hij onderscheiden wat voor anderen verward en onhelder is. Men heeft altijd het recht, fier op zijn kennis te zijn, maar wanneer het de kennis geldt van den wil, d. w. z. van den absoluten, volmaakten wil, die alles beveelt en als souverein over alles oordeelt, is zulk een kennis een onvergelijkelijk voorrecht. Door deze kennis van den Goddelijken wil kan de Jood de fijnste schakeeringen van het zedelijke leven waardeeren (Ssxipx&tv). Velen hebben dit woord genomen in de afgeleide beteekenis van „goedkeuren" (Vuig., Bengel, Meyer e. a.); men moet rx ZixQépovTix dan opvatten in den zin van „het betere", „wat de voorkeur verdient" (meliora probare), naar de beteekenis „overtreffen", welke het werkwoord 3ixZpépav dikwijls heeft. Liever vertale men: „de verschillende dingen"; want de apostel zinspeelt op de onderscheidingen der casuïstiek, in de joodsche scholen, wanneer b.v. de twee uitnemende leeraars Hillel en Schammai ernstig discussieerden over de vraag, of het geoorloofd was, een op den sabbat gelegd ei te eten. Paulus spreekt dus hier, evenals in Fil. 1 : 10, van de verschillende opvattingen} waartusschen men kiezen moet om zooveel mogelijk aan den hoogsten wil getrouw te blijven. Oltramare verklaart „oordeelen wat het beste is"; Hofmann „oordeelen wat van