Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brengen" (vs. 27) gelijksoortige uitdrukkingen als rot tov vificv irotelv, de dingen der wet doen, vs. 14. Maar kon \

Paulus van een Heiden zeggen, dat zijn onbesnedenheid hem tot besnijdenis zou gerekend worden, m. a. w. hem tot een werkelijk lid van het verbond zou maken (vs. 26), dat hij een echte Jood zou zijn, in den geest, naar het hart besneden , dat hij lof van God zou verkrijgen, d. w. z. behouden zou worden (vs. 27, 29) ? Volgens Paulus zou geen Heiden,

geen mensch door zijn gehoorzaamheid behouden worden;

vgl. H. 3:10, 19, 20. Of moet men met Calvijn, Weiss, e. a. aannemen, dat de apostel hier hypothetisch spreekt (Calvijn: hypothesin proponit) en dan tevens erkennen, dat de beteekenis der uitdrukkingen bij hem veel sterker en absoluter is dan die van de uitdrukking „doen de dingen der wet" (vs. 14)P Het tweede is juist, het eerste niet; want hoe kon Paulus in ernst zeggen, dat een zuiver denkbeeldige Heiden door zijn voorbeeld den Jood, die de wet overtreedt,

zal oordeelen (vs. 27)? Philippi heeft deze moeielijkheden trachten weg te nemen door de verzen te laten slaan op de proselyten der poort, d. z. de Heidenen, die zich bij de Joden hadden aangesloten, en die nu in het Goddelijke verbond de noodige krachten vonden om door hun gedrag de ongeloovige Joden te beschamen. Deze opvatting van Philippi is zeker een stap in de goede richting, maar niet meer dan een stap: wij moeten nog verder gaan. Immers het is onmogelijk, op zoo iemand de sterke uitdrukkingen van vs. 29 toe te passen. De uitdrukking „besnijdenis des harten in den geest", verklaard in het licht van het gelijkluidende woord in Fil. 3:3: „Wij zijn de besnijdenis, wij, die God in den geest dienen", schijnt nadrukkelijk aan te duiden,

wie door Paulus in vs. 27—29 worden bedoeld. Het zijn Christenen van heidenschen oorsprong. De uitdrukkingen „de inzettingen der wet bewaren" en „de wet volbrengen be- j

hooren in al hare kracht genomen te worden. Men vergelijke bij de eerste H. 8:4, waar zij voorkomt van de vervulling der wet door den geloovige in de kracht des Heiligen Geestes (ri 3ixxiccpx tou vófiou 7r\vipcliv), en bij de tweede Jak. 2:10,

É

Sluiten