is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar zij de geestelijke vervulling der wet door de uit de liefde voortkomende gehoorzaamheid aanduidt, en men beseft hoezeer zij verschillen van de uitdrukking vs. 14, die slechts een toevallig, oogenblikkelijk doen van hetgeen de wet voorschrijft, te kennen geeft. Dit verschil van beteekenis komt geheel overeen met de bedoeling van elk der twee passages, welke men niet vereenzelvigen, ja zelfs niet tot elkander overbuigen mag. In de verzen 14, 15 wil Paulus door de herinnering aan de gedeeltelijke vervulling der wet, welke men soms bij de Heidenen aantreft (ot/xv), bewijzen, dat de Heiden ook een wet heeft in zijn hart, maar niet, dat hij door de gehoorzaamheid, welke hij ze soms betoont, behouden zal worden. Integendeel. Hier toont hij aan, dat de onbesnedene, die het zoover brengt, dat hij de wet houdt (hoe hij het zoover brengt, zegt Paulus niet), in het oordeel den besnedene, die de wet niet zal gehouden hebben, zal veroordeelen (vgl. vs. 7, 10). Juist omdat Michelsen de twee plaatsen, welke zoo verschillend zijn, met elkander verwarde, meende hij (Stud. u. Kritik. 1873) vs. 14, 15 op de bekeerde Heidenen te moeten toepassen, terwijl er inderdaad eerst in vs. 26 van hen gesproken wordt. — Zie over ïimlunx H. 1: 32. Quhutroeiv, bewaren, standvastig vervullen; sterker dan voieTv van vs. 15. Bij „zal gerekend worden tot" maakt Hofmann de juiste opmerking, dat Paulus hier niet zegt „is besnijdenis geworden" (zie het omgekeerde vs. 25). Deze Heiden wordt niet werkelijk een lid van het Oude Verbond; hij zal alleen als zoodanig behandeld worden; vgl. Gal. 6:16: het Israël Gods. Het futurum \oyi<rdii<rsTxi ziet blijkbaar op het laatste oordeel, met het oog waarop dit geheele hoofdstuk geschreven is en hetwelk de Jood meende te ontkomen (vs. 3; 5; 6; 12, 13; 16). Hoe kunnen Hofmann en Oltramare in dit verband meenen, dat het futurum alleen een logisch gevolg zou aanduiden? Zeer scherpzinnig eindelijk is de opmerking van Oltramare over het gebruik van het art. vóór viyuq in de verzen 25—27: „als het woord „wet" den Jood geldt, staat het zonder artikel, omdat dan duidelijk genoeg de mozaïsche wet wordt bedoeld; als het daarentegen den