Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woord „Jood", maar ook bij de uitdrukking „besnijdenis", hetwelk in dit stuk altijd voor „besnedene" voorkomt. Misschien ligt in het woord „lof" een zinspeling op de etymologische beteekenis van „Jood" (zie op vs. 17). De lof, die van God komt, staat tegenover de pralerij der menschen (vs. 17—20). Er is een merkwaardige parallel tusschen deze plaats bij Paulus en de verklaring van Jezus: Matth. 8:11, 12. Echter behoeven wij niet aan imitatie te denken. In beide gevallen schept zich dezelfde waarheid een oorspronkelijken vorm.

Maar de apostel stelt zich voor, dat er een bedenking tegen de in dit hoofdstuk ontwikkelde waarheid wordt ingebracht. Wanneer de zondige Jood evengoed als de zondige Heiden aan den toorn Gods is blootgesteld, wat blijft er dan over van de voorrechten, welke hem door de Goddelijke verkiezing verzekerd worden? Voordat Paulus in H. 3:9 20 tot de algemeene conclusie van de twee stukken H. 1:18—32 en 2:1—29 overgaat, zal hij deze bedenking wederleggen. Het geschiedt in het volgende stuk.

ZESDE STUK.

H. III: 1—8.

De veroordeeling yan den jood blij ft, niettegenstaande het goede, hetwelk god uit zijn zonde doet voortkomen.

De gang van dit stuk, misschien een der moeielijkste pericopen van den brief, is deze:

1°. Wanneer de Jood als de Heiden moet geoordeeld worden, wat heeft hij dan op hem voor? Antwoord: den Jood zijn de woorden Gods toevertrouwd (vs. 1, 2).

2°. Maar wanneer dit bezit niet de vrucht heeft gehad, welke het moest hebben (nl. dat Israël het heil aannam), heft dan dit (negatief) resultaat de trouw van God jegens het volk niet op' Antwoord: Geenszins; zij zal er slechts te meer door verheerlijkt worden (vs. 3, 4).

Sluiten