is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een dergelijke vraag kan doen na de zending van den Messias; hij had in plaats van „zal te niet doen" moeten zeggen „heeft te niet gedaan". Philippi tracht de moeielijkheid op te lossen door aan de vraag de beteekenis te geven van: „Waren de oude openbaringen Gods evenwel niet het vertrouwen waardig, waren zij niet echte middelen des heils?" Maar deze vraag is nooit bij iemand opgekomen; en waartoe dan, bij zulk een onderstelling, het futurum „zal te niet doen"? In dit geval moest hier een verleden of een tegenwoordige tijd staan. Het ongeloof, waarvan Paulus hier spreekt als van een historisch feit, kan niets anders zijn dan de Messiasverwerping en de voortdurende verharding des volks sedert het Pinksterfeest. Tivè? kon ietwat zwak schijnen om de groote meerderheid van het volk aan te duiden, wanneer dit pronomen niet werd gebruikt om een deel van het geheel aan te duiden, groot of klein; vgl. H. 11:17, 1 Kor. 10:7. Plato zegt: nvh kx) Mot ys. — Ingeleid door m, doet de volgende vraag een meer of minder negatief antwoord verwachten: „Hun ongeloof zal toch niet?" Men kan deze vraag op drie wijzen verstaan. 1°. Men kan ze doen slaan op het verleden: „dat ongeloof zal God toch niet verhinderd hebben, Zijn belofte jegens de Joden getrouw te vervullen (door hen den Messias te zenden)?" Zoo Oltramare e. a. Maar het woord zal te niet doen" wijst op een toekomstig en niet op een gebeurd feit. 2°. Men zou ook deze omschrijving kunnen geven- Als God de Joden, na zulk een ontrouw, voorgoed verwierp, zou Hij dan toch niet aan Zichzelven getrouw blijven?" Antwoord: „Ja, want het Goddelijke woord bevat niet slechts beloften maar ook bedreigingen"; vgl. 2 Tim. 2:13. Maar de bijzonder strenge beteekenis, hiermede aan „trouw Gods" gegeven, zou duidelijker moeten zijn uitgedrukt. 3 . De bedoeling van Paulus is: „Zal God, nu Israël niet aan den Messias en het door hem aangebrachte heil heeft geloofd, al Zijne gedane beloften terugnemen?" M. a. w.: „Zal Israël voorgoed verworpen zijn?" Het antwoordl van vs. 4 is: „Geenszins; de trouw Gods zal juist door ^<tëtr<!(uw Zijns volks des te heerlijker uitkomen." De apostel heeft het