is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mysterie voor den geest, hetwelk hij in H. 11 geheel ontvouwen zal, het eindelijke behoud der Joden, nadat hun gedeeltelijke, voorbijgaande verwerping den Heidenen ten goede zal gekomen zijn.

Vs. 4. Het ontkennende antwoord op de laatste vraag, hetwelk in vs. 3 reeds door yxp en w was voorbereid, volgt in vs. 4 en wel met verontwaardiging: „Dat zij verre (dat de trouw Gods te niet gedaan wordt)". Het is de vertaling van het hebr. chalilah. De apostel voegt er zelfs bij: „Het tegendeel zal geschieden. Waarheid, niets dan waarheid van den kant van God! Leugen, niets dan leugen van den kant des menschen! Dat zal het eindresultaat zijn zoowel van deze krisis als van de geheele geschiedenis!" Er is een tegenstelling tusschen yivoirs en yivévöa. De apostel zegt letterlijk: „Dat God waar worde"; de meesten brengen dit „worde" in verband met de erkenning der waarachtigheid Gods door de menschen. Maar men kan dit „worden" ook in een strengeren zin opvatten. God wordt waar; Zijn waarachtigheid wordt openbaar, wanneer of naarmate Zijne beloften of Zijne bedreigingen door nieuwe feiten in de geschiedenis vervuld worden. Deze doorloopende openbaring der Goddelijke waarachtigheid vormt een tegenstelling met die der menschelijke leugen. De leugen wijst in de Schrift meestal op de valschheid van het hart, hetwelk het zedelijk goede kent en begrijpt en nochtans wederstaat. Paulus schijnt te zinspelen op het woord van Ps. 116:11: „Ik zeide in mijn haaste: alle menschen zijn leugenaars". Het verschil is, dat den psalmist dit woord in een oogenblik van bitterheid ontsnapte, terwijl de apostel het met diepe smart over de zonde zijns volks uitspreekt. Hij zegt „ieder mensch", niet slechts ieder Israëliet, want het oordeel gaat over allen. Hij stelt hier den mensch, als zoodanig, tegenover God. — De waarachtigheid, die hij in vs. 4 aan God toeschrijft, is een ruimer begrip dan de trouw, waarover hij sprak in vs. 3, evenals de leugen van den mensch in vs. 4 ruimer is dan het ongeloof in vs. 3. — Het ongeloof van Israël in de verwerping van den Messias heeft tusschen de menschelijke