is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in praktijk brengen en leeren, zooals de lasteraars zeggen. En wanneer de schrijver dan den losgelaten draad weder opneemt, laat hij den verderen zin grammatikaal niet afhangen van „en niet", maar verbindt dien, zooals de klassieke schrijvers wel meer doen, aan het laatste woord van den tusschenzin (zeggen): „Zooals men ons beschuldigt, dat wij zeggen: laat ons het kwade doen". "Oti is het recitatieve „dat", hetwelk in het grieksch dikwijls gebruikt wordt als de schrijver van de indirecte in de directe rede overgaat. Hofmann stelt een andere constructie voor. Hij onderstelt na kx) m het werkwoord sari, waarvan hij laat afhangen: „En is het niet, zooals men ons beschuldigt dat wij doen en leeren, dat men slechts het kwade doen

moet om ?" Echter ligt het niet voor de hand,

tuA&t van ètri te laten afhangen-, ook moest er in dat geval, volgens een opmerking van Meyer, eerder kx) ov dan kx) m staan. Het werkwoord /3x*crQvnoópeSx zou tot object kunnen hebben een sous-entendu „van te zeggen", maar dan werden de volgende woorden „en gelijk sommigen zeggen, dat wij zeggen" een matte herhaling. Men moet dus als object van het eerste werkwoord onderstellen niet „zeggen" maar „doen : „Wij worden lasterlijk beschuldigd, naar dit beginsel te handelen". De volgende woorden voegen dan aan de beschuldiging, naar dit slechte beginsel te handelen, de nog erger beschuldiging toe, dit beginsel te leeren. De beschuldigers hier bedoeld waren joodschgezinde tegenstanders van Paulus, die zelfs het zedelijk karakter van zijn persoon en van zijn prediking aantastten: vgl. H. 6 : 1. De kwaadwilligen konden in woorden als H. 5 : 20 gemakkelijk een voorwendsel voor deze beschuldiging vinden. — Het oordeel aan het einde van het vers wordt door de meeste uitleggers toegepast op degenen, die het beginsel, hetwelk aan Paulus en de zijnen (wii) was toegeschreven, werkelijk in praktijk brachten en leerden. Het ligt ook, wat de gedachte aangaat, het meest voor de hand. Maar in welk woord is dan in het voorafgaande uitgedrukt het antecedent van het pronom. uvl Het kan geen ander zijn dan waarbij men met Grotius,