Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordigen tijd, opdat Hg rechtvaardig zg en 0 rechtvaardigende wie uit het geloof in Jezus 2) is." 3)

Niet zonder reilen heeft men deze twee verzen „het meig der theologie" genoemd. Calvijn schrijft: „er is waarschijnlijk in den ganschen Bijbel geen plaats, die de gerechtigheid Gods in Christus grondiger uiteenzet." En toch zijn deze zoo gewichtige gedachten in weinige regels samengedrongen! Het is, gelijk Vitringa het noemt, „het kort begrip der

Goddelijke wijsheid". 4)

Paulus had reeds gezegd, dat de verlossing een vrucht was van Gods genade (vs. 24). Dit bleek ook hieruit, dat God Zelf het zoenmiddel had voorgesteld. De verlossing der wereld is Gode niet door Christus afgedwongen. Zij ging geheel van Hem uit. Zie ook 2 Kor. 5:18 en Joh. 3. 16. Men verlieze dit bij de leer der verzoening niet uit het oog. — UpoTtSêvxi beteekent „voorstellen", „voor aller oogen stellen , of, wanneer men srpa in temporeelen zin neemt „van te voren stellen", „zich voornemen". Het komt nog voor: H. 1 : 13 en

1) Kai ontbreekt in FG Italiq-

2) D E L lezen Itirovv in plaats van I«fo-ou.

3) Over H. 3 : 25, 26 schreef nog Bruston (Revue de theol. et de phil., 1891).

4) Het zij ons vergund, hier (naar Morison) een ervaring van den beroemden engelsehen dichter Cowper te verhalen, die ons een indruk Tan den rijkdom dezer plaats geeft. Cowper was eenmaal der wanhoop nabij. Hij liep in heftige gemoedsbeweging geruimen tijd in zijn kamer op en neder. Eindelijk zette hij zich neder bij het venster, zag daar een Bijbel liggen en opende dien of hij daarin soms troost en kracht vinden mocht. „Het woord, dat ik vond, was", zegt hij, „Rom. 3:25. Toen ik het las, ontving ik onmiddellijk de kracht om te gelooven. De zon der gerechtigheid bescheen mij in de volheid harer stralen; ik zag de volkomen genoegzaamheid van de voldoening, welke Christus voor mijn begenadiging en mijn volkomen rechtvaardiging had aangebracht. In een oogenblik geloofde ik en had ik deel aan den vrede van het evangelie". „Wanneer de arm des Allerhoogsteu mij met ondersteund had", voegt hij er aan toe, „zou ik van dankbaarheid en vreugde bezweken zijn; mijne oogen schoten vol tranen; de ontroering verstikte mijn stem Ik kon niets anders doen dan in stille aandacht vol liefde en aanbidding ten hemel zien. Maar men kan het best het werk des Heiligen Geesti's met zijn eigen woorden beschrijven: het was eene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (I Petr. 1:8)." (Het leven van Cowper, door Taylor )

Sluiten