is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaligspreekt, wien God de gerechtigheid toerekent zonder de werken '): 7 Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn! 8 Zalig de man, wien 2) de Heer de zonde niet toerekent!"

David behoeft niet als tweede voorbeeld te figureeren. Paulus komt terstond op Abraham terug. Hij vindt echter bij den psalmist tweeërlei, hetwelk het woord van Mozes kan aanvullen: 1° Niet slechts een geschiedenis, maar een hymne. 2° Het niet-toerekenen van de zonde staat op den voorgrond. — K.*6»7rep (sterker dan xxScoc): „juist als". — Ps. 32 is een lied van een gerechtvaardigden zondaar, die jubelend de uitdrukkingen op elkander stapelt. Mozes wijst op het goed, dat gegeven; David op het kwaad, dat weggenomen is.

Nu komt de apostel op Abraham terug. Om ook hier de gedachte aan menschelijke verdienste binnen te loodsen, zou men kunnen beweren, dat Abraham als besnedene waardig geacht was, door het geloof gerechtvaardigd te worden. Maar dan moest het antwoord op vs. 1 luiden: veel, ja alles. Dan zou de rechtvaardiging immers van de besnijdenis afhangen en de onbesnedene van de gerechtigheid des geloofs uitgesloten zijn; en de gerechtigheid der werken, de voordeur uitgewezen, kwam dan door de achterdeur weer binnen. Paulus gaat thans (vs. 9—12) dit gewichtige punt onderzoeken. De aartsvader is gerechtvaardigd door zijn geloof (1—8) en door zijn geloof alleen (9—12).

Vs. 9, 10: „Geldt deze zaligspreking dan de besnijdenis of ook de voorhuid ? Wij zeggen toch 3): Abraham is het geloof tot gerechtigheid gerekend.

1) Michelsen (Theol. Tydachr. 1887, 201) vindt hier overdrijving van paulinisme in de soteriologie.

2) ACFKLf lezen a in plaats van ov.

3) NBD laten in weg, dat in don teit. rep. en de andere handschr. gevonden wordt.

18»