is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

snijdenis de theokratische natie gegrondvest was, een tydperk, waarin hij aan de menschheid in het algemeen toebehoorde. In dien tijd werd hij gerechtvaardigd. Zoo sluit dus het vaderschap van Abraham niet slechts Israël, maar alle geloovigen, besnedenen en onbesnedenen, in, daar wij hier niet een toevallige omstandigheid maar een Goddelijke beschikking hebben. Abraham is nog iets anders dan het eerste voorbeeld van het geloof — er waren geloovigen vóór hem (Hebr. 11) —, op hem berust de gemeenschap des geloofs (Hofmann). Deze ontwikkeling, waardoor Paulus voor zijn universalisme een vasten grondslag vindt in het O. T., is kennelijk nog iets anders dan een proeve van rabbijnsche scholastiek. — Laat het tijdstip van Abraham's rechtvaardiging niet toe, het geestelijk vaderschap van den aartsvader tot de geloovige Joden te beperken, de erfenis, door God aan Abraham en zijn geslacht toegezegd, is beloofd, onafhankelijk van alle wet, eeniglijk en alleen op grond van het geloof aan de belofte; bijgevolg zijn alle geloovigen evengoed erfgenamen als gerechtvaardigden. Dit ontwikkelt de apostel in vs. 13—16.

H. 4: 13—16.

Vs. 13: „Want niet door een wet werd de belofte aan Abraham of zijn zaad gedaan, dat hij erfgenaam der wereld zijn zou, maar door de gerechtigheid des geloofs."

God heeft Abraham en zijn nakomelingschap tot Zijne kinderen en mitsdien tot Zijne erfgenamen gemaakt. De belofte van deze erfenis is aan geen andere voorwaarde verbonden dan aan de gerechtigheid des geloofs. Bij de erfenis blijft de verdienste evengoed buiten rekening als bij de

1) De text. ree. leest met KIP rou vóór xorpou; de andere handschriften laten het weg.