is toegevoegd aan je favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij geloofde); 2° KxrêvxvTt toü isoü u ènlarews (voor het aangezicht van dien God, in Wien hij geloofde). Het eerste geeft geen goeden zin. Het tweede wél. Wel is de laatste constructie niet zoo gewoon als de eerste, maar zij wordt toch door de grammatika en het spraakgebruik niet uitgesloten. Zij alleen is de sleutel tot het recht verstand van het volgende. De twee volgende part. vermelden eigenschappen Gods, waaraan Abraham's geloof zich vastklemde, toen hem de belofte werd gedaan. — F G en de Peschito lezen êniaTeuirx?, gij hebt geloofd. Erasmus nam deze lezing in zijne eerste uitgaven op, vanwaar zij in Luther's vertaling overging. De woorden werden zoo een voortzetting van het citaat. Dan moest kxtIvxvti ov genomen worden in den zin van xvQ ou, „daarom, dat". Het komt echter in die beteekenis niet voor, terwijl de lezing zelf onwaarschijnlijk is.

Origenes en Olshausen hebben bij het „levendmaken der dooden" gedacht aan de opwekking der geestelijk-dooden, Ewald aan de bekeering der Heidenen, Erasmus en Mangold aan het offeren van Izaak. Echter laat vs. 19 geen twijfel over. God zou niet slechts de dooden levend maken, Hij zou ook beschikken over wat niet bestond. „Roepen" beteekent niet „roepen tot het heil", evenmin „scheppen"; het beteekent „uitnoodigen om te verschijnen". De mensch doet zulks met de dingen, die zijn; God met de dingen, die niet zijn. De volken, die uit Abraham zullen voortkomen, bestaan voor God evengoed als de sterren, die aan den hemel schitteren. Vóór ovtx staat de subjectieve negatie m , omdat God Zelf wel weet, dat de dingen, die Hij roept, niet bestaan. De part. praes. „levendmakende" en „roepende" duiden geen daden maar voortdurende eigenschappen van God aan. Paulus leert ons hier waarin het geloof bestaat. God zegt ons door Zijn woord, wat Hij van ons wil maken, m. a. w. wat wij in Zijne oogen reeds zijn; en wij, afziende van onzen tegenwoordigen toestand, antwoorden: ja, dat wil ik zijn, ja, dat ben ik reeds! Vgl. H. 6 :11. Zoo deed Abraham. De apostel tracht ons den aard van het geloof nog duidelijker voor den geest te stellen, door de gedachten van den aartsvader te ontleden.