Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

apostel niet slechts denkt aan een subjectief gevoel van vrede, maar aan een nieuwe, objectieve, actieve verhouding. De toorn Gods, die ons den weg versperde, heeft plaats gemaakt voor de rechtvaardigverklaring; er is vrede tusschen God en ons, daarom is er ook vrede tusschen ons en God (zie voor Hand. 2: 47). — De bemiddelaar van deze nieuwe verhouding is Christus. Wij hebben hier niet aan het verzoeningswerk van Christus te denken maar aan zijn voortdurend middelaarswerk ten behoeve der geloovigen (vgl. vs. 10: door zijn leven). In vs. 2 toch lezen wij: door wien wij ook; dit ,ook" onderstelt, dat in vs. 1 over iets anders gesproken wordt dan in vs. 2». In vs. 2» herinnert Paulus nog eens aan de verzoening door Jezus' bloed (zie H. 3:21 4:25);

vgl. vs. 10: „door zijn dood".

Wij hebben vs. 1 verklaard in de veronderstelling dat de lezing "wnev de juiste is. Echter hebben de meeste en de oudste HSS. èx^t*lv» laat ons hebben (z0° ook: Hofmann, Gess, Volkmar, Beet, Klostermann, Sanday-Headlam, Zahn e a ')). Er zijn weinig voorbeelden van een lezing, die zóó algemeen door de oudste HSS. wordt aanbevolen en toch beslist onjuist is. Zij maakt van vs. 1 een vermaning, die in het zuiver didaktische verband niet past. Wij kunnen bovendien niet vermaand worden om vrede met God te hebben, daar dit van God afhangt en niet van ons. Ook zou men dan in vs. 2, 3 moeten vertalen: laten wij roemen. 2) Waarlijk, de oudste lezing is niet altijd de beste.

Vs. 2. De apostel resumeert hier het werk der rechtvaardig. Hij plaatst het verleden tegenover het heden om aan te toonen, dat wij zoowel in het eene als in het andere absoluut alles aan Christus te danken hebben. Christus handhaaft ons in de gemeenschap met God (vs. 1), waarin hij ons heeft gebracht (vs. 2"). Dezelfde, die ons de voltooiing

1) Weizsacker: wollen wir h.lten am Frieden mit Gott; Rev. Vers.t let ug have peace. Schmiedel (Hand-Commeutar', II, 249) houdt VX«f«» voor

een schrijffout. . .

2) Gelijk b.v. Hünefeld doet (Römer 5: 12-21 von neuem erklart, Leipzig

1895, S. 9).

Sluiten