Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waarom niet? Christus heeft niet slechts zijn bloed voor hem vergoten, maar ook zichzelven ter zijner beschikking cesteld om het goede werk in hem te voleindigen. Wij zullen door hem behouden worden (vgl. H. 8:34; Hebr. 7:25; Joh. 14 :19)- De overeenkomst met vs. 1,2 valt in het oog. „Door hem" beantwoordt aan vs. 1; „door zijn bloed" aan

vs« 2»

Vs. 10 is een herhaling en versterking van vs. 9. Paulus ontwikkelt de gedachte nog nader, le door de bijvoeging „vijanden", waardoor het „a fortiori" van het bewijs nog meer uitkomt; 2* door in plaats van „gerechtvaardigd" (vs. 9) te schrijven „verzoend", hetwelk bij „vijanden" behoort; 3« door Christus te noemen den Zoon van God, hetgeen de waarde van zijn bloed verhoogt; 4e door, in plaats van het onbepaalde „door hem", te schrijven het bepaalde „door zijn leven . Ër zijn dus drie trappen: vijand, verzoend, behouden. De liefde, die ons van den eersten trap tot den tweeden heeft gebracht, zal ons nog veel zekerder van den tweeden tot den derden brengen. — De uitdrukkingen „zwakken, goddeloozen, zondaren" (vs. 6, 8) worden hier geresumeerd in „vijanden'. Doelt dit woord op de vijandschap van den mensch tegen God of op de vijandschap van God tegen den mensch (dei osores of deo odiosi)? De eerste beteekenis is volgens het verband onvoldoende. De vijandschap wordt toegeschreven aan Hem, Wiens toorn herhaaldelijk, ja nog zooeven, is vermeld. Niemand kan ontkennen, dat er in vs. 9 sprake is van den toorn van God. Ook Oltramare niet, al zegt hij, dat de toorn van God niet anders is dan een bepaalde vorm Zijner liefde. Maar zal dit dan ook in het jongst gericht gelden? En daarover wordt in vs. 9 gehandeld. Bovendien, wanneer Paulus spreekt over de rechtvaardiging door Jezus' bloed, denkt hij stellig niet aan een verandering in ons ten opzichte van God, maar aan een verandering in God ten opzichte van ons. Anders zou de bloedige dood een betooning van liefde, en niet van rechtvaardigheid (H. 3: 25), moeten genoemd worden. Ongetwijfeld duidt soms de vijandige

verhouding van den mensch tegenover God aan (H. 8:7;

Sluiten