is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kol. 1:21; Jak. 4:4). Het kan echter ook de gezindheid van God tegenover den zondigen raensch uitdrukken (H. 11 : 28, waar i'xipo! tegenover staat; vgl. Ef. 2:3).') Uit

het begrip „vijandschap Gods" moet elk onrein bijmengsel, elk egoïstisch element worden verwijderd; men denke aan heiligen haat (Luk. 14:26), die in ons en iu anderen alles verfoeit wat gehaat moet worden. Velen zeggen: God haat de zonde en niet den zondaar. Dit is niet geheel juist. God haat natuurlijk in den zondaar de zonde, maar de zondaar zelf wordt ook voorwerp van dien heiligen haat, naarmate hij zich vrijwillig met de zonde vereenzelvigt en haar tot het beginsel van zijn persoonlijk leven maakt. 2) Zoolang de zonde in den zondaar niet tot volkomen ontwikkeling gekomen is, blijft hij een voorwerp van Goddelijk medelijden, daar God altijd nog de trekken van het oorspronkelijk schepsel in hem ontdekt. Maar deze afkeer en deze liefde (zie H. 11:28) kunnen slechts in een overgangstijdperk samengaan. Aan het einde van zijn ontwikkeling ten goede of ten kwade, is de mensch met het goede of met het kwade vereenzelvigd en kan er van een samengaan van toorn en liefde in God geen sprake meer zijn. Hoofdgedachte in „vijanden Gods" is dus de vijandschap van God, waarmede echter de vijandschap van den mensch tegen God noodwendig verbonden is. Ons hart stoot af hem, die ons afstoot. In het woord „vijand" ligt iets wederkeerigs; vgl. iv sx^P? Óvre?, Luk. 23:12. — Een dergelijke kwestie komt aan de orde bij de verklaring van rü Qiü. Beteekent dit, dat de mensch er toe gebracht wordt, een betere gezindheid tegenover God te koesteren? Of, dat God Zijn toorn in liefde verandert? Grammatikaal zijn beide beteekenissen mogelijk; de eene vinden wij 1 Kor. 7:11; de andere 1 Sam. 29:4 en Mattli. 5:24. Onze opvatting van opyii, è%Qpk noopt ons, aan de verzoening van God Zeiven te denken (zoo ook Weiss). Ook

1) Zie Schmiedel, bij de verklaring van 2 Kor. 5:18—21.

2) Calvijm Respondeo , quia Deus peccatum odio habet, nos quoque illi esse 0x0803 quateuua peccatorea sumus.

20*