Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3e den eeuwigen of tweeden dood; vgl. 2 Kor. 2: lö; 7 . 10. de volkomene, finale scheiding van den mensch en God. Aan welke van deze drie beteekenissen moet hier worden gedacht? Chrysostomus, Augustinus, Van Hengel, Meyer, Weiss e. a. zeggen: alleen aan den physieken dood; Erasmus, W. Schmidt e. a.: aan den geestelijken of zedelijken dood; Pelagius, Crell, Oltramare: aan het eeuwig oordeel. Semler, IUickert, Olshausen verbinden de twee eerste beteekenissen; Reuss voegt de eerste en de derde samen; Melanchton, Tholuck, de Wette, Philippi, Lange, Hofmann combineeren ze alle drie. Vs. 14 toont duidelijk genoeg aan, dat hier alleen van den physieken dood sprake is. In vs. 15 en 17 is stellig niet de eeuwige dood bedoeld. De geestelijke dood wordt uitgesloten door de tegenstelling: zonde en dood; de geestelijke dood is niets anders dan de zonde zelf. Bovendien doet de ziuspeling op Genesis aan den physieken dood denken (Gen. 2:17).!) Oltramare maakt tegen onze opvatting o. a. het volgende bezwaar. In vs. 17, 21 wordt bij „leven" aan „geestelijk", „eeuwig" leven gedacht, zoodat de vraag blijft of dan „dood" niet in denzelfden zin moet opgevat worden. Maar het leven, waarvan vs. 17, 21 sprake is, wordt uit de vereeniging met Christus geboren; deze vereeniging is een daad van vrijheid; daarom kan en moet zij zedelijke en eeuwige gevolgen hebben; — terwijl bij de vereeniging met Adam elke persoonlijke daad is buitengesloten, zoodat deze vereeniging alleen physieke en bloot voorloopige gevolgen hebben kan, of zulke zedelijke gevolgen, die dooide macht des geloofs kunnen worden opgeheven en alleen definitief worden, wanneer de mensch uit eigen beweging het zondige beginsel volgt. De dood, welke uit de betrekking tot Adam voortkomt, behoort tot een voorbijgaande, inferieure sfeer; het leven, hetwelk van Christus uitgaat, tot het gebied van het eeuwige. Oltramare heeft tegen den physieken dood nog dit bezwaar, dat hij door de genade niet teniet gedaan wordt.

1) Volgens W. Schmidt (a. a. O. S. 55-57) wordt ook in Gen. de geeatelijke dood bedoeld.

Sluiten