is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonde, van één tot allen kon doorgaan. Intussehen wordt deze verklaring zeer verschillend opgevat. De een leest hier, dat de dood van den mensch alleen het gevolg is van zijn eigen zonde, welke uitspraak dan echter moeielijk met het vorige te rijmen is. Een ander beweert, dat Paulus, den dood op rekening van Adam's zonde stellende, toch het aandeel, hetwelk ieder mensch er aan had, wilde erkennen. Een derde meent, dat de dood van allen wordt afgeleid van de zonde van Adam. Een vierde geeft aan i(p' u een andere beteekenis, waarbij elke gedachte aan „oorzaak" uit de uitdrukking verwijderd wordt. Wat beteekent f\2)' u? ') In localen zin komt het voor Luk. 5 : 25. In Matth. 26: 50 (text. ree.) wijst het het doel aan. In 2 Kor. 5 :4 beteekent het: nademaal, naardien; waarschijnlijk ook in Fil. 3:12; in Fil. 4: 10 kan het op het voorafgaande slaan. In het N. T. is è<p' u dus pron. rel. (waarom) of conj. (daarom, omdat). Uit de gegeven voorbeelden blijkt, dat het tweede het meest voorkomt, ook bij de klassieken, waarover men vergelijke de talrijke voorbeelden bij Meyer, Weiss en Oltramare in de beide vormen ê<p' a en oJc.

Sommige uitleggers geven de voorkeur aan een pron. rel. Origenes, Augustinus, de Vulgaat en vele anderen na hen laten sQ' a slaan op svoc xvQp&irou en vertalen: in wien allen gezondigd hebben. Alle menschen hebben dan in Adam gezondigd. Wij vinden deze gedachte — niet deze bijzondere uitlegging — reeds bij Irenaeüs (Adv. Haer. V, 16, 3): „In den eersten Adam zijn wij gevallen, daar wij het gebod niet vervuld hebben; maar in den tweeden Adam zijn wij verzoend, daar wij gehoorzaam geworden zijn tot den dood." De laatste woorden schijnen er op te wijzen, dat Irenaeüs bij deze opvatting meer het oog had op vs. 19 dan op vs. 12. Het

1) 'Etti c. dat. beteekent: le (locaal) het voorwerp waarop iets geplaatst wordt; 2e (temporeel) het oogenblik waarop iets gebeurt; de gebeurtenis en den persoon, die dient om het oogenblik te bepalen waarop iets plaats heeft (Hand. 11:19; Hebr. 9:15); 3e (moreel) den grond waarop d. i. de reden waarom, de voorwaarde waaronder; 4e (logisch) gelijk men hieruit zien kan, dat .

21*