is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

De heiliging dook den Geest. H. 6: 1—8:17.

Door het zoenoffer van Jezus Christus aan te nemen, is de geloovige rechtvaardig verklaard, weet hij zich verzoend met God, tegenover Wien hij staat als een mensch, die al zijne zedelijke verplichtingen heeft vervuld. Heeft hij nog meer noodig om behouden te worden? Men zou zeggen: neen. De didaktische verhandeling, aan de uiteenzetting van het heil gewijd, schijnt geëindigd. Maar waarom dan een nieuw deel?

Men herinnere zich, dat de toestand van den om zijn geloof rechtvaardig verklaarden mensch slechts een voorloopige is. De rechtvaardig verklaarde moet werkelijk rechtvaardig worden, zal de rechtvaardigverklaring niet ijdel blijken te zijn (zie Rom. 8: 12, 13; 1 Kor. 6:9, 10; Gal. 5:19—21). De toerekening der gerechtigheid moet den mensch tot de gerechtigheid (de heiligheid) brengen.

In het begin van H. 5 is gesproken van een dag des toorns. Zal de rechtvaardiging des geloofs, zoo werd er gevraagd, dan haar kracht doen gelden? Bij het antwoord op die vraag werd gesproken van het leven van Christus, waardoor de geloovige behouden zou worden. Toen reeds heeft de apostel bij anticipatie gezinspeeld op het punt, waarover hij nu gaat uitweiden, de heiliging.

Paulus houdt zich aan zijn thema (H. 1 : 17). De rechtvaardige zal door zijn geloof leven. Leven, dat is niet alleen „vrede met God te hebben verkregen door de rechtvaardi-