Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is. De volledige nazin zal wel zijn: xM.x x») tc? 'o^oiü^xti tij; xvxvtxvivs xütov otu^utoi isóftsqx.

Vs. 6—11.

Vs. 3—5 wordt in vs. 6—11 nader ontwikkeld. Vs. 5a vindt zijn verklaring in vs. 6, 7; vs. 5b in vs. 8—10; vs. 11 resumeert het geheel in den vorm van een vermaning, terwijl vs. 12—14 de parenetische toepassing is.

Ys. 6: „daar wij dit weten, dat onze oude mensch mede gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, ten einde wij niet meer de zonde dienen."

Waarom wordt hier op eens over „weten" gesproken, terwijl toch in vs. 5 over iets objectiefs gehandeld werd? Ook in vs. 8 vinden wij ttittiuo/aiv , in vs. 0 flSsrfs, in vs. 11 >.syfctrêe. Meyer, Weiss, Oltramare meenen, dat de apostel de objectief voorgestelde waarheid bevestigen wil door de subjectieve ervaring der geloovigen: wij behoeven er niet aan te twijfelen, want wij hebben het zeiven ondervonden. Echter past een beroep op een ervaring in het verleden slecht bij het fut. iaópeöx. Philippi geeft de volgende omschrijving: Naarmate dat „wij zullen zijn" van vs. 5^ zich in ons verwerkelijkt, zullen wij bij ondervinding weten, dat enz. Maar ■yivuijKovreg staat niet gelijk met: en wij zullen weten. Wij hebben geen deel aan de opwekking van Christus langs natuurlijken, physischen, maar alleen langs zedelijken weg, door kennis en ervaring. De geloovigen moeten zich rekenschap geven van hetgeen God met hen voorheeft. Daarom wordt ook reeds van vs. 3 af (of weet gij niet?) een beroep op hun geweten gedaan; vgl. de vermaning vs. 12—14 en vs. 10.

„Onze oude mensch" beteekent: onze zondige natuur. De geloovige kan die zondige natuur „oud" noemen, omdat hij een nieuwe natuur gekregen heeft. Die oude natuur is gekruisigd met (<ruv) Christus. In betrekking gebracht tot den

Sluiten