Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het eigenaardige van Paulus' leer vinilt men misschien het best weergegeven in 1 Kor. 1: 30, waar Christus wordt voorgesteld als onze gerechtigheid, als onze heiliging, als onze volkomen verlossing. Het didaktische deel van onzen brief correspondeert hiermede: H. 1—5 (gerechtigheid), H. 6 : l 8:17 (heiliging), H. 8:17—39 (volkomen verlossing).

Velen zien in vs. 18 de conclusie; echter moeten wij 3s lezen, en niet cüv. „Gij zijt der gerechtigheid dienstbaar gemaakt" behoort nog tot de praemissen der redeneering. Het antwoord op de tegenwerping van vs. 15 ligt in vs. 16—18. Vs. 16 is de major: de mensch moet een meester hebben; hij moet kiezen tusschen de zonde en de gerechtigheid; in vs. 17, 18 ligt de minor: door het evangelie aan te nemen (vs. 17), hebt gij u aan de gerechtigheid onderworpen (vs. 18). De conclusie behoeft niet opzettelijk te worden uitgesproken: dus zijt gij voortaan gedwongen, het goede te doen. \ an een overlegging als in vs. 15 kan dan vanzelf geen sprake meer zijn.

Maar is het leven in de gerechtigheid een leven van dienstbaarheid ; is het niet veeleer een leven van de hoogste vrijheid? Vs. 19» beantwoordt deze opmerking, waarop een praktische vermaning volgt.

Vs. 19: „Ik spreek op menschelijke wijze om de zwakheid uws vleesches. Want gelijk gij uwe leden in dienst gesteld hebt van de onreinheid en de ongerechtigheid tot ongerechtigheid, zoo stelt nu uwe leden in dienst van de gerechtigheid tot heiliging."

De schrijver van dit vers heeft volgens Van Manen (t. a. p. bl. 69) de klok hooren luiden, maar weet niet waar de klepel hangt; zoo onbeholpen drukt hij zich uit. „Paulus" kan niet ivdpcliirivov voor k<*t' txvipuffov schrijven, noch de zwakheid van iemands vleesch met zijn gemis van hooger geestesleven verwarren, noch tegen xvo[*ix als tegen een zeer groot zedelijk kwaad waarschuwen! Vgl. Michelsen.

Bengel, de Wette, Meyer, Syn. Vert. e. a. denken bij

24*

Sluiten