Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het niet; hij haat het kwade en doet het toch. npxraeiv wordt gezegd van wat men gewoon ia te doen; itoulv van de enkele daad. Het verschil komt hier niet sterk uit. — Staat nu volgens Paulus een wedergeboren mensch zóó machteloos tegenover het goede (vgl. H. 8:2—4)? Aan den anderen kant kan gevraagd worden of iemand, vóór zijn wedergeboorte, het goede kau willen en het kwade haten? Zie Joh. 3 : 21; Luk. 8 : 15; Hand. 10 : 34, 35; Rom. 2 : 14, 15. Vs. 10 constateert, op grond van deze ondervinding, het

conflict, waarvan in vs. 14 sprake was (ollx /jlsv

sya lé e'ifii). Ta vi^u hangt af van de praep. auv in ovuQifiti. De wet zegt, door het feit dat zij gebiedt, dat zij goed is. Paulus zegt het met haar, door niet te willen wat hij doet. Er kan geen grooter en krachtiger getuigenis gegeven worden van de goedheid en deugdelijkheid eener wet, dan wanneer hij, die dezelve overtreedt, zelf erkent niet goed maar slecht gehandeld te hebben (v. d. Palm). — Strikt genomen is vs. 16 niet logisch. In de eerste helft moest staan: e! 2f 3 ttoiü toïito Maar de bedoeling is duidelijk. En het is in

verband met vs. 15 niet onverklaarbaar, hoe vs. 16® aan zijn tegenwoordigen vorm is gekomen. ')

Vs. 17 : „Nu doe ik het echter niet meer, maar de zonde, die in mij woont 2)."

Hiermede zoekt Paulus zichzelven geenszins te rechtvaardigen. Hij wil integendeel de jammerlijke slavernij schetsen, waarin hij gevallen is (vs. 14). Hij is niet eens meester in zijn eigen huis. Welk een vernedering! Welk een ellende! Nuk/ en ouksti kunnen alleen logische beteekenis hebben.

2) Vs. 18—20.

Vs. 18a bevat een stelling, parallel met die van vs. 14.

1) Weizs&cker: wenn ich ea aber wider Willen thue.

2) N B : tvoixovo-u; al de andere maj.: cixsi/«•«.

Sluiten