is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over vs. 14—25. — Wij zagen reeds uit het verband tusschen vs. 7—13 en vs. 14—25, dat dit stuk handelt over den toestand van Paulus, den Farizeër. Er wordt niet gesproken over 7rveüfix, maar over voüs, geheel anders dan in H. 8: 1—11; vgl. ook Gal. 5: 17. Wij komen hier niet in een specifiek christelijke sfeer. Dergelijke toestanden worden ook wel in de heidensche litteratuur beschreven.*) De toestand van den vromen Jood onder de wet verschilt niet wezenlijk van dien van den oprechten Heiden, die het goede zoekt te doen, dat zijn geweten hem openbaart (H. 2 : 14, 15). — Het voornaamste bezwaar tegen deze opvatting is het praesens der werkwoorden. Maar uit vs. 24 blijkt, met welk een levendigheid Paulus zich in zijn vroegere ervaringen verplaatst. Bovendien vergeet hij niet, dat hetgeen voor hem reeds in het verleden ligt, voor anderen nog tot het heden behoort. Van die anderen is hij de vertegenwoordiger. Hij weet eindelijk, dat hij in dezen toestand zou terugzinken, als hij zich van Christus losmaakte. Wat hij beschrijft, is de strijd tusschen de menschelijke natuur en de wet, en het samentreffen van deze twee, zonder de tusschenkomst der genade, hetgeen ook verklaart dat zoovelen hier den strijd van den geloovige beschreven vinden. Wanneer Christus wordt losgelaten, verandert het evangelie, met zijn hemelhooge eischen, in een wet, en keeren dergelijke ervaringen als vroeger

1) Aliudque cupido, Mens aliud auadet (De begeerte raadt mij het een de rede het ander aan). Ovidius.

Video meliora proboque, Deteriora sequor (Ik zie en prijs het betere, maar volg toch het slechtereV Ovidius.

Scibam ut esse me deceret, facere non quibam, miser (Ik wist wel, hoe ik moest zijn, maar ik, ellendige, kon het niet doen). Plantus.

Qnid est quod nos alio tendentes alio trahit (Wat is het toch, dat ons, terwijl wij den eeuen kant uitwillen, naar den anderen kant heentrekt)? Seneca.

'O ufiotft&vuv S [ih HéAei ou irotei, kou S fitf 0e'/e< ■xotil (Wie zondigt doet niet wat hij wil; hij doet wat hij niet wil). Epictetus.

Bekend ia ook, hoe Plato de menschelijke ziel vergelijkt met een wagen, door twee paarden bespannen, waarvan het eene naar boven en het andere naar beneden trekt.