is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen deze. 'ZvvxvTihxt/.fixveaixi bestaat uit >>xi*.(3xve<rOxi (een last op zich nemen), uiiv (inet iemand), xvti (in zijn plaats) > dus: een last met iemand deelen om hem verlichting te geven (vgl. Luk. 10:40). Gewoonlijk wordt het door een persoonlijk object gevolgd; „onze zwakheid" is dus zooveel als „ons, zwakken". — Het smartelijkste symptoon van deze zwakheid is, dat wij soms niet weten, wat wij bidden moeten. Ta' beheerscht rl 7rpt>7eó!;ufieix. KxM hï duidt niet op de wijze van bidden (dan zou er uxöu; moeten staan), maar op het object van het gebed (zie Joh. 12:27). In den nood doet zich een Helper op: de geloovige voelt een zucht uit zijn hart opgaan tot God; het is zijn zucht niet, het is een zucht van den Geest. Die Geest is de Heilige Geest (vs. 16 j 23), en niet „ipse fiduciae sensus, qui Spiritui Dei debetur (Van Hengel), noch „het gevoel van kinderlijk vertrouwen in den Christus" (Oltramare), hetgeen hem juist op dat oogenblik ontbrak. Het verb. vzspcvTvyxiveiv bestaat uit ruyxxveiv (iemand ontmoeten), èv (op een plaats), uvép (ten gunste van een ander). De opzettelijke bijvoeging van sommige HSS. (vTrsp »5,04«v) is overbodig. — Hoe hebben wij dit intreden (tusschentreden) van den Geest voor ons te denken ? Natuurlijk niet in het hemelsche heiligdom, zooals de vooibeda van den verheerlijkten Christus (Hebr. 7 : 25), maar in het hart van den geloovige. Het volgt uit de uitdrukking „zuchten", alsmede uit vs. 27. — Beza en Orotius vertalen fatttoirm door „stom", d. i. innerlijk en geestelijk. Beter is: „onuitsprekelijk"; het verstand kan die zuchten niet begrijpen en dus ook niet formuleeren, waaruit volgt, dat zij voortgebracht zijn door den Geest van Hem, Die grooter is dan ons hart (1 Joh. 3:20). Vgl. 1 Kor. 14; b.v. vs. 14, 15. i) Vs. 27. Wij weten het niet (vs. 26, xZ-x^toic), maar (Si) God weet het wèl, Hij, 'o KxpStoyvutrTv;, de Kenner der harten. Waarom verstaat God de meening des Geestes?

1) Daarom heeft men nog niet aan uitgesproken verzuchtingen te denten; vgl. ook Grimra in Zeitschrift für wissensch. Theol., 1883. Gunkel ziet ook hier (evenals in va. 15) „glossolalisch-ekstatische Auarufe .