is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klinkt als een overwinningskreet op het door den vijand verlaten slagveld.

Vs. BI, 32: „Wat zullen wij dan hierop zeggen? Indien God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? 32 Hij toch, Die Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen ') overgegeven heeft, hoe zal Hij ons ook niet met Hem alle dingen schenken?"

De vraag: wat zullen wij zeggen? zal geen tegenwerping zijn; de lezers worden opgeroepeu om het gevoel uit te drukken, hetwelk hen tegenover die heilsdaden Gods moet vervullen. rTpc-r toüjtx (niet irpbs toótoi:) beteekent: met betrekking tot deze dingen. Deze dingen, in de eerste plaats hetgeen in de laatste verzen was genoemd, maar in verband daarmede ook al het voorafgaande. God is voor ons. Wie of wat zal dan iets tegen ons vermogen? Hic murus nobis est aheneüs (Calvijn).

Ys. 32. God heeft immers (y«) enz. Hieruit volgt het mindere vanzelf. Zijn eigen Zoon heeft Hij niet gespaard (zie Gen. 22:12). Het is duidelijk, dat Zoon niet hetzelfde is als Messias (Zijn eigen Messias!). God heeft Zijn Zoon overgegeven (in den dood, zie H. 4:25). Voor ons allen, dit zijn, evenals in vs. 31, de geloovigen. Ti tt&vtx, al die dingen, die voor ons heil noodig zijn. Laat men metDFG Tot vóór ïï&vTz weg, dan blijft de beteekenis vrij wel dezelfde j het is dan alleen meer absoluut. In „niet sparen" en „overgeven" ligt iets smartelijks; in iets aangenaams. Kxi behoort bij den geheelen nazin.

In vs. 32 lag het antwoord op de vraag van vs. 31 opgesloten. Nu neemt Paulus dezelfde vraag weder op en onderzoekt, wie als vijand zou kunnen optreden. Men kan het recht van den geloovige op vergeving en heil in twijfel

1) Ook dit noemt Michelaeu overdrijving van paulinisme in de soteriologie.