is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Paulus alleen op de twee volken het oog heeft. GoJet is van oordeel, dat noch in Gen. noch bij Paulus de stamvaders van de volken of de volken van de stamvaders worden gescheiden. Aan Ezau ontging het eerstgeboorterecht en de zegen van Izaak. De Edomieten woonden buiten het beloofde land, zijn door David onderworpen en werden eindelijk, nadat zij hun vrijheid telkens herwonnen en verloren hadden, onder Johannes Hyrcanus door de besnijdenis definitief in denjoodschen staat ingelijfd en van de lijst der volken geschrapt. Op zichzelf kan het nauwe verband tusschen stamvader en volk natuurlijk niet ontkend worden, maar toch blijkt uit vs. 11, dat alleen de personen bedoeld zijn. Meyer ziet in o /tci^uv de aanwijzing, dat Ezau de sterkste van de twee was. Wij mogen het door „de oudste" vertalen, omdat in Gen. 29: 16 tegenover i} /uel£ui/ staat >} vearépx. Weiss denkt aan een meerderheid in rang.

Vs. 13. Het tweede citaat, uit Mal. 1:2, 3, bevestigt het eerste en vult het aan. Maleachi noemt de namen, Ezau en Jakob. De voorliefde van God voor Jakob was de oorzaak van Jakobs meerderheid boven Ezau. — Men verzwakke de uitdrukkingen „liefhebben" en „haten" niet, b.v. met een beroep op Gen. 29:30, 31. Calvijn vertaalt: assumere en repellere, hetgeen eenvoudig beteekenen kan, dat God den eenen broeder tot drager der belofte maakt en den anderen van iedere werkzaamheid in Zijn koninkrijk uitsluit, maar dit veronderstelt vanzelf sympathie ten opzichte van den een en antipathie ten opzichte van den ander. Natuurlijk moet uit het begrip „haten" elke gedachte aan zonde verwijderd worden: vgl. Luk. 14:26 en Joh. 12:25. Het verband sluit niet alleen alle verdienste uit, maar ook een vooruitgezien geloof (dit laatste tegen Godet).

De apostel wil hier geen systematische uiteenzetting geven van het verband tusschen de praedestinatie en de vrijheid van den mensch, maar alleen door de herinnering van eenige historische feiten de vrijmacht Gods in het licht stellen. Intusschen kon men vragen of deze vrijmacht niet zou ontaarden in willekeur? Vandaar de tegenwerping in vs. 14.

Godbt,Jonkbb, Romeinen. 30