is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan door sommige HSS. opzettelijk na het eerste zijn weggelaten. „Wie wederstaat?" wil zooveel zeggen als: „Wie kan wederstaan?" Hofnoann en Oltramare vertalen: „Wie heeft God clan wederstaan?" „Ik in elk geval niet", laten zij er dan stilzwijgend op volgen.

Vs. 20. De meeste uitleggers houden het volgende voor geen ernstig antwoord op de tegenwerping. Abrumpit questionem, zegt Melanchton. Holsten beweert, dat de apostel de vraag dooddrukt in plaats van ze op te lossen. Inderdaad doet Paulus in vs. 1H, 20 niet meer dan den menseh incompetent verklaren om over het doen en laten van God een oordeel te hebben, maar daarna gaat hij toch dieper tot de kwestie in. — Mevovvye bestaat uit drie woorden: ,u.év, ouv, yk. Eenigszins ironisch wordt dus met een schijnbaar toestemmend „ja wel", „wel zeker" (Weizsacker: ja freilich) het zooeven gezegde tegengesproken. In de vertaling kon „o mensch" niet vooropgaan; in den waarschijnlijk echten tekst staat het aan het hoofd van den zin. Zoo komt de tegenstelling tusschen „mensch" en „God" het duidelijkste uit. Hoe durft de onwetende , feilbare mensch zijn mond opendoen tegen den wijzen, goeden, rechtvaardigen God! 'AvrxvoKfivcirixi, letterlijk: wederantwoord geven, slaat niet terug op het woord des Heeren vs. 17, maar op het ni^Qea-ixi van vs. 19. — Men verdiepe zich toch niet in allerlei onderzoekingen, of de mensch wel in elk opzicht aan het vat van den pottenbakker gelijk is; of de nadruk valt op het feit, dat de pottenbakker het leem aanwezig vindt en van dat aanwezige leem potten maakt, en dergelijke bijzonderheden. Paulus wil eenvoudig zeggen, dat de mensch geen recht heeft, als maaksel staande tegenover zijn maker, God van eenig ding rekenschap te vragen. God mag den eenen mensch gebruiken zooals Hij Mozes gebruikt, den anderen zooals Hij Farao gebruikt. Wanneer wij God met onze zoogenaamde rechten willen binden, treedt Hij met absolute souvereiniteit als een vrijmachtig God tegenover ons op, zoodat wij voor Hem niets zijn, als leem in de hand van den pottenbakker (Lange). Van het standpunt van het absolute recht heeft een schepsel niets tegen zijn Schepper