is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd, zou hier Christus' (zoendood en) opstanding betwijfeld worden. — Men behoeft na „of" geen : te zetten. Na des apostels midrasch loopt de vraag gewoon door.

Va. 8: „Maar wat zegt zij: Nabij u is het woord, in uwen mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs, dat wij prediken."

Wat van het woord des Ouden Verbonds gold, dat het nabij was, in mond en hart, zoodat men het kon uitspreken en overdenken, geldt nog veel meer van het woord des Nieuwen Verbonds, dat immers niets anders van den mensch vraagt dan geloof des harten en belijdenis des monds, geen opklimmen naar den hemel of nederdalen in het doodenrijk. Het woord des geloofs (gen. obj.) is het woord, dat handelt over geloof en niet anders vraagt dan geloof.

Deze nabijheid des heils wordt in vs. 9, 10 ontleed en in vs. 11 nogmaals bewezen door een aanhaling uit de Schrift, die tegelijk als overgang tot het volgende dienst doet.

Ys. 9, 10: „Want zoo gij met uwen mond Jezus als Heer belijdt, en in uw hart gelooft, dat God Hem uit de dooden heeft opgewekt, zult gij behouden worden; 10 want met het hart gelooft men tot gerechtigheid, en met den mond belijdt men tot heil."

De uitdrukkingen „met den mond belijden" en „met het hart gelooven" slaan natuurlijk terug op „mond" en „hart" van vs. 8. Beide voorwaarden zijn in werkelijkheid één, omdat het geloof zich in de belijdenis openbaart. Men kan OTt vertalen met óf het laten afhangen van een verzwegen xiyst, maar de hierboven gegeven overzetting zal wel de eenvoudigste zijn. Omdat in vs. 8 „mond" vóór „hart" staat, gaat hier de belijdenis aan het geloof vooraf; in vs. 10 echter wordt de juiste volgorde in acht genomen. Jezus