Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Israël geenszins liet recht had verloren, tegen Israël desnoods strenge maatregelen te nemen. Deze strenge maatregelen waren inderdaad noodig (H. 10). Toch verloor God de eigenaardige plaats van Israël, het heil der wereld en het heil Israël's daarbij niet uit het oog (H. 11). Nadat Paulus de beschuldiging van Israël tegen Crod ontzenuwd en door de beschuldiging van God tegen Israël vervangen heeft, ontwikkelt hij, ons tot troost, hoe uit het oordeel Gods het heil voortkomt (Schlatter).

De eerste gedachte in dit hoofdstuk is: Israël s verwerping is niet een massale maar een partieele verwerping (vs. 1 10). De tweede: Deze partieele verwerping is slechts tijdelijk (vs> li 32). Ten slotte: een verheffing van Gods aanbidde-

lijken raad (vs. 33—36).

Dat Israël's verwerping slechts partieel was, bleek uit Paulus' eigen bekeering (vs. 1) en voorts uit het bestaan van een joodsch christelijke gemeente (vs. 2—6). Wel was niet het geheele volk Israël tot die gemeente toegetreden, maar zulks was het gevolg van hunne verharding (vs. 7—10).

Ys. 1: »Ik zeg dan: Heeft God misschien Zijn volk ') verstooten? Dat zij verre! Want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad van Abraham, van den stam Benjamin."

Uit het voorgaande (H. 9, 10) zou men kunnen opmaken, dat God Zijn volk verstooten had; vandaar „dan". 2) Mij doet een negatief antwoord verwachten, evenals xvtoü bij tov hot.lv. Er wordt over het volk Israël in zijn geheel gesproken, niet over een gedeelte daarvan. De apostel zelf is

met een woord der Schrift aan te duiden, die ongehoorzaamheid heeft willen teekenen als iets dat kon uitblijven, zoodat wij hier in denzelfden kring yan voorstellingen zouden zijn als in H 9.

1) A. D voegen er ov 7rposyvw aan toe (blijkbaar aan vs. 2 ontleend).

2) Dalmer is van oordeel, dat de apostel eenvoudig terugkeert tot wat van den beginne aan in deze hoofdstukken voor hem de eigenlijke kwestie geweest is.

Sluiten