Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vs. 9—16.

Vs. 9, 10: „De liefde zjj ongeveinsd; hebt een afschuw van het kwade; hangt het goede aan; 10 in de broederliefde hartelijk jegens elkander; in het eerbetoon elkander latende voorgaan;'

Uit de liefde, als het algemeene beginsel van elke werkzaamheid, vloeit voort de liefde en de achting jegens de broeders. 'W is weggelaten. De liefde moet zonder vertooning zijn, zich niet boven zichzelve verheffen De twee volgende part. AmrrvyOtw en mM&hsm ) hangen grammatikaal af van het subj. van het werkw. „liefhebben , dat in „liefde" ligt opgesloten. De liefde kan aan alleen zuiver zijn (zoo moet men het verband tusschen vs 9b en vs. 9» verstaan), wanneer zij het kwade verafschuwt en het goede "zoekt, ook met betrekking tot haar object. Zonder heiligheid is er geen liefde mogelijk (vgl. 1 Kor. 13:6).

Vs 10 Het art. vóór „broederliefde" en „eerbetoon ver onderstelt, dat deze deugden reeds bij de lezers aanwezig waren; Paulus behoefde dus alleen nog maar te zeggen, hoe men ze in het leven moest verwezenlijken. totirro&K, van ari97«, de aanduiding van een teedere, innige liefde zoo als er tusschen de leden van een huisgezin gevonden wordt. De gemeenteleden moesten elkander als familieleden beschouwen. Ook hadden zij elkander te eeren als door Christus verlosten en kinderen Gods. npw^rbeteekent eigenlijk: zich aan het hoofd stellen om te leiden, waaruit de volgende beteekenissen afgeleid worden: voorgaan, een voorbeeld geven (Meyer, Weiss), voorkomen, voorkomend zijn (Vulgaat, Luther, s erwald, Oltramare, Segond), overtreffen (Chrysostomus). Het spraakgebruik zou dan echter een gen. of een dat. in plaats van een acc. doen verwachten. Erasmus, Hofmann denken aan de beteekenis, welke vjyüeix, dikwijls heeft, nl. „meenen ,

1) Kantt. t. Stateuvert.: kleeft aan, ofte, wort aengekleeft, n. gelijck als met lijm.

Sluiten