is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van het bijzondere geval, hetwelk in II. 14 besproken was, gaat de apostel over tot de ontwikkeling van de meer algemeene gedachte eener goede verstandhouding tusschen de verschillende elementen der gemeente, die zich moet oplossen in een gemeenschappelijken lofzang ter eere van God. Wij hebben hier geen matte herhaling van het vorige (Baur, llenan), maar een verruiming van den gezichteinder en een verheffing van den toon, die geleidelijk tot de hoogte van een lofzang klimt (vgl. II. 5: 12 v.; 8:31 v.; 11 : 33 v.). Paulus spoort de geloovigen aan tot wederzijdsche toegeeflijkheid (vs. 1—3), die hen zal leiden tot gemeenschappelijke aanbidding van God (vs. 4—7), waarbij Jood en Ileiden een eigen plaats heeft (vs. 8—13). Iets dergelijks was nog niet uitgesproken.

Vs. 1—3.

Vs. 1: „Wij nu, die sterk zijn, behooren de zwakheden der onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen."

Paulus spreekt hier niet alleen over onderlinge verdraagzaamheid in zake het gebruik van spijs en het vieren van feestdagen, maar in ruimeren zin over de houding, welke de geestelijk meer gevorderde leden der gemeente hebben aan te nemen tegenover hen, die in een of ander opzicht een meer bekrompen opvatting hebben. De bezwaren der laatsten zullen wel uit een wettelijken geest zijn voortgekomen. Mangold heeft in 1866 ten gunste van de hypothese eener joodschchristelijke meerderheid in de gemeente te Rome het woord sterken" toegepast op een heidensch-christelyke minderheid, die veel strenger was jegens de zwakken van H. 14 dan de joodsch-christelijke meerderheid. In een later geschrift {der Rötnerbrief, 1884) komt hij op deze veronderstelling terug en erkent, dat de „sterken" van H. 15 dezelfden zijn als de meerderheid der gemeente, tot wie Paulus in H. 14 ten gunste van de „zwakken" gesproken had. Maar hoe dit te

17

Godet/Jonkkr, Romeinen.