is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opzichte van Israël te rechtvaardigen, niet: een vereeniging van Joden en Heidenen te bewerken. Bovendien is deze opvatting in strijd met het nauwe verband tusschen H. 15: 7 en H. 14: 1—3.

Wat volgt uit H. 14 : 1—15 : 13 ten aanzien van het karakter van de gemeente te Rome? Hilgenfeld erkent, dat Paulus de Christenen te Rome over het geheel als „sterken" aanspreekt (H. 14:1; 15:1), maar in plaats van hieruit de gevolgtrekking te maken, dat zij paulinisch van overtuiging en heidensch van oorsprong waren, meent hij, dat de apostel zich aldus uitdrukt, omdat hij van zijn lezers goede verwachtingen had, en hoopte dat zij eenmaal zouden worden wat zij nu nog niet waren. Reuss zegt van ons stuk in zijn Histoire des écrits du N. T.: het is zóó handig gesteld, dat men de vrijere opvatting voor de te Rome heerschende zou houden, terwijl toch het omgekeerde het geval was. In zijn Contmentaire sur les épilres pauliniennes zegt hij (eenigszins anders): blijkbaar meent de schrijver, dat de gemeente te Rome niet uitsluitend uit Joden bestaat. Men zegge liever: niet voornamelijk. Schultz erkent, dat de „sterken" paulinisten waren, en tevens, dat zij de meerderheid uitmaakten; derhalve kan H. 1: 14—15: 6 niet een deel van den brief aan de Romeinen zijn, omdat de gemeente te Rome immers een joodsch-christelijke meerderheid had. De tegenovergestelde conclusie ligt meer voor de hand. Aangezien dit stuk niet aan een joodsch-christelijke gemeente kan geschreven zijn en aan de gemeente te Rome is geadresseerd, was de meerderheid dezer gemeente niet joodsch-christelijk.