is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den aangevuld (zie Tischendorf); 3e zóó, dat men yxp na èf.vl^u weglaat en hierin het werkwoord van den hoofdzin ziet. De eerste lezing is blijkbaar onecht. Acht men een anakoloeth (Weiss) met Godet minder natuurlijk, dan blijft alleen de derde mogelijkheid over. Het is echter waarschijnlijker, dat i\cu<TonKi vpo: !)(*£<; in den tekst is ingevoegd om de moeielijkheid van yxp weg te nemen, dan dat de invoeging van iAei/voi-ixt vpos v/ax: de inlassching van yxp ten gevolge heeft gehad. — Aix in Itxvopevopievoi maakt Rome uitsluitend tot een doorgangspunt. Misschien sluit het „uitleiden" ook de zorg voor de reis in: vgl. Tit. 3:13; 3 Joh. vs. 6. müv doet nog meer dan vitüv de

zorg der Christenen te Rome voor Paulus uitkomen, maar het kan gemakkelijk zijn ontstaan uit het passieve werkwoord. 'Exf? staat voor helss (er heen gaan en er blijven); vgl. Joh. 11:8. npS>Tov in de beteekenis van npéTepov, vgl. Mark. 3:27; Luk. 14:28, 31; 2 Thess. 2:3. : mij

aan u verzadigen; vgl. H. 1:12. Eenigermate, ten deele: een kort verblijf te Rome zal hem maar half voldoen; hij zou er lang moeten vertoeven, voordat hij van hen verzadigd was. Non quantum vellem, sed quantum licebit (Grotius). — Baur houdt de geheele plaats voor verdacht, omdat de reis naar Spanje niets anders dan een fictie is, waartegen moet opgemerkt worden, dat een falsaris er dan juist over zou gezwegen hebben (Hilgenfeld). Afgezien van de vraag, of het plan ten uitvoer gebracht is, waarom was zulk een plan Paulus onwaardig? Ook het fragment van Muratori spreekt uitdrukkelijk van Paulus' reis naar Spanje. Lipsius verklaart vs 23 24, om hun samenhang met vs. 19b, 20b, voor een interpolatie. Van Manen schrijft (bl. 97): „Verder treft ons de vs. 23 beproefde poging om de bevrediging van Paulus verlangen naar een kennismaking met de Romeinen, afhankelijk te maken van het ontbreken eener gelegenheid om elders te evangeliseeren, hetgeen niet strookt met den aard van dat verlangen, zooals het spreekt uit de woorden waarmede het vs. 22, 23b en 1 :10—13 wordt omschreven. En eindelijk: de herhaling der mededeeling uit vs. 28, waaraan